âVroeger wou niemand naar Noord, en nou wil iedereen ernaartoe. De pont puilt uit, dag en nacht.â
een literaire pelgrimstocht
Ik lees Zonnehuis van Marja Pruis. Je kan het boek winnen bij uitgeverij Van Oorschot (loterij). Ik kan niet wachten, hoop put me uit, ik betaal 7,50 euro bij bol.com (twee doosjes eieren, 3 liter benzine). Een literaire pelgrimstocht waar ik woon! Ongemerkt ben ik er al, ik hoef enkel de voordeur uit te stappen, het rondje te lopen dat ik âochtends altijd loop (een cirkel om het Zonneplein), de weg naar werk te fietsen die ik altijd fiets (langs Mosplein of langs het woonhuis van Marja Pruis). Niks ingewikkelde zoektocht naar Monkâs House (Virginia Woolf) â veerboot, water, links rijden, ponden in plaats van euroâs, tapijt als behang tegen de muur, op zoek naar de river Ouse, waar Virginia Woolf aan het eind van haar leven stenen in haar zakken stopte… ze sterft duizend doden, zelden volgt een essay over haar andere lijnen (haar gekte, haar genialiteit, haar kamer alleen), zoals elk essay ‘een probeersel’ is, een poging, een verontschuldiging, nooit eens een mooie affe tekst, enkel gedachten. Wat is stream-of-consciousness anders dan een moedwillige rivier van woorden om in te verdrinken? Soms denk ik dat de stenen die ik jut wanneer ik Amsterdam ontvlucht â zware keien, met de punt van een schoen losgetrapt en uit het zoute zuigende Zeeuwse zand bevrijd, en hup, in de kofferbank, mee naar Tuindorp Oostzaan (vermoedelijk 15 cent extra aan brandstofkosten door het toegenomen gewicht), waar sinds kort betaald parkeren is ingevoerd en ik slijter Iwan tegen de slager hoor zeggen dat zijn klandizie daardoor is gehalveerd â niet enkel een bewuste verfraaiing van de tuin vormen, maar onbewust een waarschuwing bevatten: hoeveel stenen ik er ook neerleg, hoe ik de plek ook verzwaar, hoe ik als een omgekeerde postbode wat ik vind in mijn zakken stop, de dijk kan nog een keer breken. Tuindorp Oostzaan nog een keer onder water lopen. Veilig ben je niet. Het is slechts gissen naar hoe het eindigt, niet dat het eindigt. Virginia Woolf is dood. De ouders van Marja Pruis zijn dood, haar zus is dood. Onduidelijk in het boek blijft hoe lang al, en hoe het is gebeurd, er is iets ergs gebeurd, iets vreselijks, iets met een nieuwe vriend die haar pijn deed, maar waarnaast ze toch begraven wil worden (?). Zonnehuis is een klein mysterie waarbij de lezer het speurwerk wordt geacht te doen, en vermoedelijk iedereen met andere mogelijkheden op de proppen komt. Gewoon ziek of het leven moe of moeilijke omstandigheden, waarvan door Marja Pruis kunstig literatuur is gemaakt zou ook zomaar kunnen. Veel blijft vaag, een soort toneelmist, en ook vind ik opeens de tekst over de saus die op de site van de uitgever staat niet terug in het boek, alsof een boek een wisselend wezen kan zijn, een octopus die opgaat in de omgeving, onzichtbaar wordt, af en toe geestig opduikend met een tastende tentakel, een klemmende zuignap, vanuit een groot wit niets.âOm mijn zus te zien, hoef ik niet ver van huis. Ik zag haar gisteren nog, bij Kaddour op het Mosveld. Ze nam een hap van haar broodje grillworst, en was in de weer met een servetje omdat ze bang was dat de saus op haar blouse kwam. Kaddour is tot in de wijde omtrek van Noord beroemd. Voor de broodjes grillworst moet je een nummertje trekken, ik snap dat, sta mezelf dit ongeveer eens in de anderhalve maand toe. âMet alle groentes?â vragen ze daar dan. âEn allebei de sauzen?â Ik neem alle groentes, en geen saus. Mân zus neemt alle sauzen, geen groentes.â Daar kunnen we heen, qua literaire pelgrimstocht. Wie was Marja’s zus? Komen we dat te weten? Ze at broodjes grillworst, ze waggelde, ze praatte een bijdehand soort Amsterdams. Dat Amsterdams ken ik. ‘Laat je er nog wat voor muh inzittuh schat?’ als ik geld pin in de Molenwijk. De plekken waarlangs Marja Pruis in het boekje loopt en over mijmert: het cafĂ© verscholen onder het viaduct bij Mosplein waar ze niet in durft, te Amsterdams, maar haar zus wel, is dat niet de plek waar Anouk haar cd presenteerde? Ik snijd af, race met mijn fiets over het plein, scheer langs het cafĂ©, tussen de betonnen pilaren, als een puber zonder fatbike, wil na werk snel naar huis, aan deze kant van het IJ, mijn kant, Noord. Papaverweg. NDSM (ik ga graag naar de Hema). Computerweg. Meteorensingel. Zonneplein. Zonnehuis (‘de parel van het Zonneplein’). Ik woon op minder dan 100 meter afstand van de schrijver die ‘twee huisjes aan de Meteorensingel had doorgebroken om er één huis van te makenâ. Hij woont er al jaren niet meer. Uit de puinbak die tijdens zijn verhuizing voor zijn huis stond heb ik een koffer meegenomen. Inmiddels is ook die meegenomen door een ander. Marja Pruis’ boek gaat over haar familie, haar zus, haar broer, haar afkomst, bij wie hoor je, waar hoor je bij, waar ben je thuis? Kun je ontsnappen aan je afkomst of kleeft iets, hoe verwoed je ook wrijft, als een sausvlek voor eeuwig aan je? In de Vegastraat laat ze haar jonge ouders op het einde van het boek in een deuropening staan, ze weet niet exact van welk huis. Ze omschrijft de straat als dodgy, in 2023 plaatste ik in de Vegastraat Heartful leven, mindful werken van David Dewulf in een boekenkastje. Ik open ze allemaal, ook die in de (voormalige?) voortuin van haar oom en tante âmet de viezige boeken die voor de buurtbewoners te geef zijnâ. Ze zijn vies omdat ik dagelijks de schone ongelezen maagdelijke exemplaren ertussenuit vis, crisp als witte sneakers onder een zacht knisperend schoenendoosinlegvelletje. Houtman Boeken (met een To the lighthouse-vuurtoren als logo, een sticker op het boek, een stempel in het boek) geeft stapels ongelezen boeken weg, stuk voor stuk pareltjes. Overal tref ik ze aan. âCadeautje van Houtman. Veel leesplezierâ. Hoe goed ken je een plek? Ik woon nu bijna twintig jaar in Tuindorp Oostzaan, langer dan ik in het dorp woonde waar ik geboren ben, opgroeide, tussen maĂŻsvelden naar school fietste en op mijn achttiende uit vertrok, en toch voelt tuindorp van Marja Pruis en niet van mij, hoewel ik er woon en zij er wegging en inmiddels in een prijzig nieuw appartement woont dat er eerst niet stond â in de nieuwe wereld aan de rand van de oude waarover ze uitkijkt en schrijft. Het woord rafelrand noemt ze liever niet, die slingerende lijn die slechts even bestaat, tijdelijk bewaakt door mensen in hesjes die verkeer regelen omdat vrachtwagens de weg blokkeren, achteruit insteken en lossen, lossen, lossen. De rest van de dag leunen ze nonchalant tegen ijzeren hekken. Amsterdam bouwt, ik fiets al sinds ik in Noord woon tussen eindeloze bouwvlakten. Zand, kranen. Regelmatig word ik opgeschrikt door het geluid van palen die de grond in worden geslagen. Ook de zijtak van het IJ wordt ingesnoerd, damwanden snijden het water doormidden. Er is wereldwijd zand te kort om te bouwe, dat komt omdat het hier ligt, klaar om gestort te worden. Als de grond schoon is gemaakt worden huizen gebouwd die Marja’s dakterras in de schaduw zetten, schrijft ze. Wat zou haar zus daarvan zeggen? Als het warmer en heter en droger en ondraaglijker wordt in de stad is schaduw een voordeel, al kies je er liever zelf voor, en moet je in de winter meer stoken. De zus zou lachen, denk ik, de gebogen schouders ophalen. Ken je iemand wanneer je leest? Elk huis aan de Kometensingel en op de dijk wordt inmiddels aangepakt, herbouwd, opgepimpt. Soms verschijnt tijdelijk een gat in de huizenrij, als een getrokken tand, een doorkijk naar een huis aan de overkant. Vervolgens komt een drie keer zo hoge gouden kolos terug. Iedereen zet elkaar in de schaduw, vecht om licht, als takken van één boom die elkaar wegduwen. Een buurtbewoner stierf jarenlang op een bed voor het raam, kijkend naar vogels en opgehangen vetballen. Een kolonie groene halsbandparkieten uit het Vondelpark had de oversteek over het IJ gemaakt. Ik hoorde hun gekrijs, tot het ophield. Dat huis staat nu, jaren later, te koop. Is tuindorp nog Tuindorp Oostzaan? Is tuindorp ooit Tuindorp Oostzaan geweest? Heeft de stedebouwkundige achter de tekentafel het zo bedoeld? Er is een museumwoning waar ik niet mocht fotograferen, ik weet nog dat ik dacht âwaar ben ik beland?â Nu denk ik, we hebben meer van dat soort regels nodig. Kijk het maar. Schrijf het maar. De karakteristieke arbeiderswoningen om het Zonneplein lijken onaantastbaar, erfgoedmateriaal, het raster waarin ze liggen. De mensen die komen zijn rijk of bewust of tweeverdiener, je ziet het aan het soort auto’s dat parkeert en niet in de vakken past, aan de biologische planten op de jaarlijkse markt, aan het type winkel dat aan het Zonneplein verschijnt â na jarenlange doodse leegstand. Wanneer is een wijk, een stad, van jou, nieuwkomer? Er is hier de kleinste mooiste polder van Nederland, binnen de autoring A10. Met gruttoâs. Een postzegel Nederland. Een ansichtkaart. Amsterdam! Als de wind goed staat word je in slaap gewiegd door het geruststellende geruis van autoâs die rond de hoofden van alle Amsterdammers cirkelen, een cirkel van 32,3 kilometer lang. Je kan gewoon een plek claimen, een boek schrijven. Derek Jarman jut stenen aan het strand, hij legt ze in de tuin, op de achtergrond ronkt en ruist en rookt en glittert het zilver van de kerncentrale. De zon gaat onder en komt op. Dungeness is voorgoed zijn plek, waar klaprozen bloeien die op de zijkant van zijn dikke pil gedrukt zijn (Glimlach in slow motion, de dagboeken van zijn laatste jaren). Het boek oogt prachtig, een rug met bloemen in een kast. Hij schrijft over iemand uit Japan die opeens voor zijn cottage staat. Marja Pruis’ wandeling eindigt bij het Zonnehuis op het Zonneplein. Haar zus keek er bokswedstrijden, zij ‘iets literairs’. Dat moet Noorderwoord zijn, van Christine Otten. Het Zonnehuis aan het Zonneplein is nu van Marja.
[alle keren Marja Pruis – alle keren Virginia Woolf – ik vermoed dat de schrijver met de twee doorgebroken huisjes woonde aan de Kometensingel – Sal Santen is de bekendste auteur tot nu, onlosmakelijk verbonden met Tuindorp Oostzaan]