De hekserij werd opgehangen, in de Geschiedenis, maar de Geschiedenis en ik vinden alle hekserij die nodig is om ons heen, elke dag — Emily Dickinson (via Elena Ferrante, Verhalen, ik in In de marge (2022, vert. Marieke van Laake))
We luisteren naar BoekenFM vanwege Ellen Deckwitz, zon en maan, maar zij schuift niet altijd aan, het is afwachten, als het weer. Wij denken dat Ellen Deckwitz op de afwezige momenten moet werken, dat dichterschap financieel zwoegen en ploegen is, een balanceeract, dat ze geen vaste aanstelling heeft, groot genoeg om de vaste lasten die het leven in petto heeft te dragen, we denken nooit aan mantelzorg, geen zin, migraine of ziekte. De andere drie hebben het gezellig. In hun enthousiasme zingen, lachen en praten zij door elkaar, we verstaan ze soms dertig seconden niet (episode Patrick Modiano), alsof we door een tunnel van geluid rijden, liggend op onze rug, wachtend op de uitgang. Ellen Deckwitz daarentegen fluistert met tempowisselingen en diepe walvisuithalen. Wat ze zegt laat ons denken. Wij denken dat ze leed en gekte achter de rug heeft, of andersoortig lijden, dat wat ze zegt, de orde, elk moment in kan storten, dat iets onstuimigs, zuigends, altijd op de loer ligt, haar woorden kracht verleent. De ‘hekserij die nodig is’ waar Ferrante over spreekt.
In de zomervakantie die vijf goddelijke weken duurt koop ik elke dag een krant, elke week een boek. De krant kost evenveel als een tweedehands boek. Het boek (nieuw, geurend als de binnenkant van een auto in een showroom) kost evenveel als vier of vijf kranten. In de krant van vandaag tref ik een column van Ellen Deckwitz. Ze heeft een vaste aanstelling, eenwekelijks. Ze schrijft over het woord condoleren, een nietszeggend woord, waarvan niemand weet wat er echt mee bedoeld wordt als het staande in een rij honderd keer tegen je gezegd wordt, terwijl je het met een door gehuil en slaapgebrek opgezwollen gezicht verdwaasd aanhoort. Ik tref in dezelfde krant het idee van een bedrijf om 50.000 satellieten in een baan rond de aarde te krijgen, elk even groot als een Amerikaanse koelkast, elk met een spiegel van 18 meter, dat ons in de nacht kan verlossen van het zwart, door zonnestralen te reflecteren en te richten. Ik zou die straal wel willen hebben, in de nacht, om met terugwerkende kracht de bordeauxrode Japanse esdoorn tot leven te wekken. Die is door schaduw weggekwijnd. Zo stel ik me technologie voor. Als botsingen. Ook de krant beschouw ik als technologie, ik knal op ideeën. Ellen Deckwitz onthoud ik als heliosynchrone ruimtespiegel, podcasts luister ik altijd ’s nachts.