‘De schrijver blijft afstandelijk, geeft zich niet over aan de lezer. Het is allemaal zo abstract’ — criticus over Johnnie Walker

Fijn! Er bestaan rationele boeken, boeken met ideeën, boeken die je niet louter psychologisch hoeft te duiden. Maaksels. Ficties. Waarheid hoef je van een schrijver niet te verwachten. Als de beschreven gebeurtenissen niet ontroeren – en ik weet niet waarom ze niet ontroeren, ik vind ze hartverscheurend, mijn hart scheurt: een ik worden, je losscheuren uit een wij, van dorp naar stad, de eenzaamheid van het schrijven, echt contact is niet de bedoeling (het moet via de omweg van het boek), iets in taal vatten: het controleren, vermoorden, in je macht hebben (de macht van woorden, een verhaal), het lijden dempen met een verslaving die de absolute macht over jou heeft (anders is het geen verslaving). Radicaal stoppen.

Al die doden, steeds maar weer.

In The dark night of the soul (Johnnie of the Cross / Johannes van het Kruis) is ‘geen afgrond zo diep, geen rots zo hoog, dat hij geen weg zou kunnen worden’. Die regel is abstract, absoluut, spiritueel: ik is dood, leve ik. Nothing is personal. Niets. Wat rest is liefde.

Ik houd van het nieuwe boek van Connie Palmen, pilaarheilige, schrijvende asceet (‘één dag tegelijk’ is een slogan van AA), het boek maakt de cirkel rond. Het leven is geleefd, het denkwerk gedaan, het zit erin, het is haar wet, haar praxis, niet de wetten van zeven figuren, mannen —behalve de getuigenis na drie maanden ontwenningskliniek van een duidelijk stomdronken lispelende Tennessee Williams, zodat het boek op de laatste bladzijden in je gezicht ontploft als een spirituele bom. ‘Ik ben nu op mezelf.’

[bij het lezen van Connie Palmen]