‘Varkensboeren bestaan niet.’ ‘Hoe bedoel je?’ ‘Varkenshouders, vooruit, maar boeren zijn ze niet.’ ‘Waarom niet?’ ‘Had die man van jou land?’ ‘Ja.’ ‘Hoeveel bunder?’ ‘Een stuk tussen en naast de schuren.’ ‘Dat bedoel ik. Een boer heeft land, en doet iets met dat land. Varkenshouders houden varkens, in grote stallen, voor de slacht, en dat heeft met boeren niets te maken […] dat heeft te maken met geld verdienen.’

[bij het lezen van Boven is het stil, Gerbrand Bakker]