Verzamelen is iets vreselijks. Er komt geen einde aan, of er is de herhaling, schrijft Mensje van Keulen. Zo bezien is leven geweldig. Je verzamelt de dagen, de verzameling groeit, maar never a dull moment, hoe vaak de zon ook opkomt, alleen momenten, geen dubbelingen, voortdurend eindes. Als ik doorlees in Mensje van Keulen (‘Bobbie’) lees ik een droevig verhaal over de dood van haar kat, en over een hond die 14 jaar lang op het graf van zijn baasje lag tot hij zelf stierf (‘Bobby’). Mensje bezocht de laatste rustplaats van de hond in Edingburgh. Maar ze was er niet naar op zoek, ze stuitte erop. Mensje houdt een dagboek bij van de laatste dagen van de kat en ik voel de behoefte hierover te schrijven, vermoedelijk omdat ik de aftakeling en breekbaarheid van mijn kat niet heb durven afwachten, plaatsvervangende anticiperende droefenis, schuldgevoel en schaamte, maar mijn gedachtes dwalen af. Hoe kan het dat iemand mensje heet, de verkleinvorm van mens? Er blijken 113 mensen Vrouwtje te heten. Vrouw niemand. Man 98. Mannetje niemand. Dagboekschrijven is verzamelend schrijven. Je verzamelt het toeval van de dag. Ik denk aan onze leventjes. Dat wat je toevalt is een synoniem voor geluk.

[bij het lezen van Bobbie (2010), Mensje van Keulen]

* the term happiness comes from the Old Norse term happ meaning ‘luck’ or ‘chance’

Epiloog: Het meest aangename aan het overschrijven van boeken is de milde verwarring. Je herkent dingen, toeval helpt, je woont op een steenworp afstand van het dierencrematorium waar Mensje haar kat naartoebracht om te verbranden, je hebt zelf een even breekbare, oude kat, je weet alles, je had het zo gezegd kunnen hebben. Het is raadselachtig maar elke onwetendheid lijkt geveinsd. We herhalen elkaar. Het moet dan wel gaan om gevoel, beleven, de kwaliteit ervan: het ervarende ik, graadmeter voor actiebereidheid, het hoe.