Ik vond het heerlijk, dat we per bus gingen, herinner ik me nu, acht maanden later, toen was het angstaanjagend. De chauffeur stond letterlijk op ontploffen, vadsig, dronk het ene flesje suikerdrank na het andere, hartaanval of accute blindheid was een kwestie van tijd, ik gaf me over aan krachten groter dan ikzelf. We zaten naast elkaar, rij 17, ingegespt op onze stoelen, capuchons over onze hoofden, onbeweeglijk als twee astronauten tijdens takeoff, in het donker van de nacht horizontaal afgevuurd. In een liefdesaffaire kun je net zo goed naar de maan reizen. Je weet niet of je ongeschonden terugkeert.