Toen het virus in 2020 het land platlegde klapte het onderwijs als een oester dicht. We gingen naar huis. In de gebouwen werd geen les meer gegeven. Als een mossel zaten we vastgeklonken op één plek. We moesten het doen met de omstandigheden. Beelden van zolderkamers stroomden mijn zolderkamer binnen.

Ooit reed ik in een Jeep Cherokee door de Verenigde Staten (Utah, Nevada, Arizona en New Mexico). Van die reis herinner ik me de uitgestrektheid van het land, de indruk die de omvang van Amerikaanse wolken op me maakte, grotere dan ik ooit zag in Nederland – en hoe stokstil vier wilde Amerikaanse paarden op een rots stonden, een in graniet gehouwen levende variant van het Mount Rushmore-monument. De paarden blikten majestueus over me heen. Dat immense gevoel van ruimte kan ik nog steeds oproepen. Van de periode met het virus herinner ik me geen tegengestelde, geen gevoel van claustrofobie, geen benauwdheid. Mijn vader ging een maand voor de lockdown dood, er was afscheid.

Toen Nederland in maart 2020 in de eerste lockdown ging, verscheen in mijn rooster standaard een icoontje bij de vakken, een groen vierkantje met een wit koptelefoontje met een microfoontje dat ‘online les’ betekende. Dat microfoontje schafte ik aan (maar gebruikte ik nooit). Mijn draadloze verbinding haperde, wat stress gaf. Ik kocht een 40 meter lange ethernet-kabel, stak die in mijn computer en ontdekte dat ik, verbonden met het web, als een astronaut een ruimtewandeling kon maken in mijn huis, kon gaan en staan waar ik wilde. Overal gonsde en zoemde het.

Ik gaf college in de gang, in de keuken, op de trap. Diep weggezakt in de kussens van de bank vergaderde ik. Met de laptop op schoot zat ik – mijn favoriete plek – op de drempel in de deuropening, voeten in de zon, hoofd en beeldscherm in de schaduw. Als een drone zweefde ik boven een oneindig digitaal canvas en zag 28 cursors van studenten heen en weer schieten, woorden typen, plaatjes plakken, commentaar geven en dingen bedenken. Af en toe maakte ik een duikvlucht naar een specifieke student. Ik zoomde in en gaf feedback. De oneindige canvassen waar studenten vanalles opsleepten zijn inmiddels veranderd in canvassen die zich opdringen en zelf vanalles willen genereren.

Het virus? Het was alsof ik nietsvermoedend op maandagochtend de gordijnen had opengeschoven, de wereld onder een witte laag aantrof en vervolgens elke dag op een sleetje van een helling naar beneden zoefde. Die sneeuw bleef maagdelijk. Het was heerlijk. Het was heerlijk stil. Er was een knop op mijn computer waarmee ik met één druk stilte creëerde. ‘Het zweet moet niet op jouw rug staan, maar op die van studenten’ bezwoer een vrouw me tien jaar eerder tijdens een didactische cursus. Ah, dit bedoelde ze waarschijnlijk.

Als docent kregen we er instant acht beroepen bij. We moesten alles zelf organiseren. Werden onze eigen cameraman, geluidsvrouw, systeembeheerder, broadcaster, regisseur, conciërge, cateraar, stationsomroeper (‘over 3 minuten start in dit kanaal de les’).

Een collega kocht een nanlite-halo 15 LED ringlamp, die haar gezicht van onder en van voren belichtte, zodat ze er beter uitzag dan de rest van haar collega’s als ze lesgaf.

Een andere collega had soundeffects in zijn computer zitten, die hij met een druk op een toets kon oproepen, als een DJ die een party hostte.

Een derde ordende haar boekenkast en ging ervoor staan.

Een vierde probeerde het onmogelijke, fietste door de stad (streamde die fietstocht), en gaf vervolgens vanuit een halfleeg leslokaal hybride les en het oogde allemaal heel dynamisch.

Ik werd anchorwoman  van mijn eigen morning show.

Deze baseline shift voltrok zich in een weekend.

Onderwijs voor de lockdown leek ineens hopeloos ouderwets, weinig flexibel, tot ik ontdekte dat ik het voornamelijk zelf was die die eigenschappen tentoonspreidde.

De online vrijdagmiddagborrel sloeg ik over. De dagen leken op elkaar en ik was op vrijdagmiddag niet langer uitgeblust, maar fris en monter en energiek.

De situatie deed me nog het meest denken aan een cruise van ongewisse duur. Waar we ook keken, geen haven of land te bekennen, geen horizon in zicht, maar er was vanalles te doen aan boord en het was heerlijk.

Om me op te peppen stuurde het college van bestuur, de faculteitsdecaan en leidinggevenden berichten, chocolade, bloemen, boeken en ansichtkaarten. Ik voelde me jarig en hoopte vooral dat de studenten ook cadeautjes kregen. We kregen een maandelijkse vergoeding voor internet, geld op de rekening, konden dat geld naar believen uitgeven. Ik kocht suiker in alle bewerkte verschijningsvormen.

De omstandigheden waarin ik terecht was gekomen bevielen me, ik adapteerde.

Het geraas van vliegtuigen boven de daken was stilgevallen.

Ik sliep uit tot half tien en kwam ruimschoots op tijd voor college.

Ik fietste niet langer door de drukke ochtendspits van Amsterdam, stond niet samengedrukt op de pont, zeulde niet met een zware tas van het ene klaslokaal naar het andere.

Ik kookte soep.

Ik douchte niet en spaarde gas.

Ik verzorgde de planten in de vensterbank en in de tuin.

Mijn reistijd was tot nul gereduceerd, het gevoel van ruimte in mijn hoofd immens. Omdat ik tijd over had, denk ik.

Het blijkt dat jonge mossels, wanneer de schelp die op hun rug groeit te zwaar wordt om nog langer een zwevend bestaan te leiden, zich op goed geluk ergens laten vallen. Zo voelde de situatie, ik was een jonge mossel die zichzelf op goed geluk – gedwongen door de omstandigheden – had laten vallen. Terwijl studenten wegkwijnden, depressief, eenzaam en gedemotiveerd raakten omdat de mooiste tijd van hun leven dag na dag vervloog, voelde ik mijn levenslust toenemen. Thuiswerken voelde als een reset, een verjongingskuur, een tweede jeugd. Alsof ik een omgekeerde weg aflegde. Alsof de tijd niet stilstond, maar de andere kant opging, ik had er opeens zeeën van. Als een axolotl groeide ik tijdens de lockdown nieuwe ledematen aan.

Ik kon studenten weer horen.

Ik zag ze ook weer, want ze waren er.

Online wist ik de namen van alle studenten, want die stond naast hun alias op het scherm. Ik hoefde geen presentielijst meer bij te houden, dat deed software voor me. Ik hoefde niet meer hard te praten. Ik kon fluisteren en mezelf horen. Ik kon mijn eigen tijd indelen. Mijn computer werd een klaslokaal dat ik exact kon afstemmen. Studenten konden ervoor kiezen om hetzelfde te doen.

Alles voelde licht en frictieloos, de beloften van online.

Ik hoefde slechts een beginletter in te typen waarna studenten of collega’s op mijn scherm oppopten, oproepbaar als de geest in Aladdin. Het was in maart 2020, het begin van de eerste lockdown, niet direct duidelijk hoe het moest, leven en werken zonder elkaar aan te raken, zonder elkaar in de ogen te kijken, maar dat het kon leek me duidelijk. Mijn internet was niet stuk, het functioneerde prima en ik kwam tot rust.

Velen vonden de situatie niet ideaal, maar was het alternatief, hoger onderwijs zoals ik het kende dat wel? Je kon de klok gelijk zetten op dat onderwijs. Onderwijs is ingericht op efficiëntie en uniformiteit. Twee uur per week college, zes uur per week werkgroep, na tien weken een toets. De meeste vakken en modules werden in een ijzeren mal geperst. Dat maakt leren weinig elastisch, weinig dynamisch. Studenten kwamen minder en minder opdagen.

Toen ik het vak inging had ik nooit gedacht dat roostering en tijdbewaking zowel hoofdtaak als kompas vormen bij ontwerpen en uitvoeren van onderwijs.

Chronos, geen kairos.

Gemiddeld heb ik voor een student twaalf minuten per kwartaal.

Ik sta aan de lopende band van Taylor te werken. Ik lever T-Fords, verkrijgbaar in alle kleuren zwart.

Ieder individu heeft een ‘eigentijd’, schrijft Arjen Mulder in Het twintigste-eeuwse lichaam. Stemt zijn bewegingen en tempo af op zijn omgeving. Zo houdt een rups rekening met het vallen van bladeren en het verschijnen van bloemen – op dat moment moet hij een vlinder zijn.

Onderwijs verloopt zowel te traag als te snel.

In plaats van door gebouwen liep ik door tabbladen op mijn computer. Ik was in het konijnehol van Alice in Wonderland gevallen. Zonder zwaartekracht, zonder massatraagheid dijden mijn digitale klaslokaal en kantoortuin moeiteloos uit en krompen in een flits ineen. In één minuut kon ik veel doen. In drie uur deed ik niets. Tijd/ruimte werd elastisch.

Terwijl alles vertraagde, werd mijn aandacht vlijmscherp.

Thuiswerken en online onderwijs vond ik niet alleen heerlijk, ik begon me af te vragen hoe het ooit weer anders moest.

Een essay is er niet op uit een problematiek te begrijpen, het zoekt de uitgang eruit, zegt Mulder. Het zou kunnen dat ik al jaren onbewust een uitgang zocht en die door de omstandigheden vond. Tijdens de lockdown werd ik niet per se een betere versie van mezelf, wel eentje die meer ging leven. Virtueel kon ik mensen muten, tijdelijk in een ander tabblad parkeren, ik kon ze doorspoelen, terugkijken, pauzeren, skippen, negeren, bestuderen, met ze chatten. En zij konden hetzelfde met mij.

Ik liep in sync met mezelf.

Mijn schoonmoeder heeft een schilderij geschilderd met een koe waarop geen licht maar donker valt. De omgeving van de koe (inclusief andere koeien) baadt in de volle zon, maar die ene koe is pikdonker, absorbeert als een zwart gat alle lichtstralen. Dat schilderij werd mijn favoriete webcam-achtergrond als ik lesgaf. Het was opmerkelijk hoe goed ik me voelde. Tevreden kauwde ik de dagen aan elkaar.

Ik werd zelf weer student, denk ik. Ik voelde autonomie en keuzevrijheid en onbegrensde mogelijkheden, alsof ik weer door die Amerikaanse woestijn reed, met een Jeep Cherokee over de rotsen schraapte, voldoende water mee. Geef mij maar het beeldscherm, het web dacht ik. Dit is hoe ik leer. Ik kan er elk antwoord vinden, mijn nieuwsgierigheid achterna.

Ik kan de wereld bingewatchen.

An overwhelming sense of presence.

In contact with it all.

Dat wijdse gevoel heb ik achter het beeldscherm van mijn computer, op het web.

Soms openden studenten hun microfoons en webcams. Omdat dat niet default was, niet altijd gebeurde, en ik het ook niet verplicht stelde, was het bijzonder wanneer het wel gebeurde. Alsof studenten me op zo’n moment een omgekeerde, langerekte knipoog toestonden. Ik kreeg een indruk van hoe studenten woonden, en hoe verschillend hun leef- en studiesituatie is. Ik zag een moeder op de achtergrond een afwasmachine inladen en liefdevol lunch voor haar studerende dochter klaarzetten. Ik hoorde een man schreeuwen en op een muur bonken terwijl een student stoïcijns in het scherm bleef kijken. Veel meer dan voorheen sijpelde het leven, het concrete, de realiteit door de lessen en gesprekken heen. De meeste kamers waren verduisterd, als kwallen lichtten de schermen op. Depressieve studenten zag ik depressiever worden, tot ze helemaal niet meer inlogden. Soms moest ik, me op de bodem van de oceaan bevindend, even naar boven, adem happen.

Uiterlijk zat ik stil, thuis op de bank, maar innerlijk bewoog ik.

Door de achtereenvolgende lockdowns kon ik mijn beeld van wat een docent, onderwijs, leren of een schoolgebouw zijn van me afschudden.

Een mossel is een filteraar. Ik snap het als studenten mij of mijn vak wegfilteren, niet aanwezig zijn, hun schelp dichtklappen. Ik ben niet instant – wat ze sinds hun geboorte gewend zijn. Beam me up, Scotty.

Rebecca Solnit spreekt over ‘annihilation of time and space’ als ze schrijft over de tomeloze versnelling waarin de negentiende en twintigste eeuw door allerlei technologische ontwikkelingen raakten (spoorwegen, film, telegrafie). Internet doet daar een schep bovenop, schiet me langs een asymptoot de ruimte in terwijl ik tegelijkertijd het kleinste detail aan de andere kant van de wereld waarneem. Amerikaans groot, zou ik – bij gebrek aan ervaring op andere continenten – zeggen. Overvloed, oneindigheid en gemak. Op Google Streetview zag ik intussen dat in de Wibautstraat het Jacoba Mulderhuis, ‘de laatste stap in de vervolmaking van de Amstelcampus’ gereed was. Op een dag zou ik daar weer naar toegaan.

Inmiddels, vijf jaar later, is het zover, is vrijwel al mijn onderwijs op locatie, fysiek en in kleine groepen. Ik klap de computer vaker dicht. Ik zit om een tafel met een kleine groep, laat studenten zoveel mogelijk onderling aan het woord, ze noteren dingen met een pen die ze niet bij zich hebben en van me lenen. Het zweet moet op hun ruggen staan, niet op het mijne. Ik fiets naar huis, sta op de pont, kijk naar de meeuwen die boven de maalstroom zweven.

Ik heb weer een lichaam.

Anno 2026 dreigt AI het hele onderwijs plat te leggen. Het gaat over niks anders meer. Ik ben opgewonden, benieuwd wat AI gaat brengen.

Elk nieuw medium heeft iets ongrijpbaars, door Arjen Mulder het ‘genieke’ van een medium genoemd, ‘het buitenmediale betoverende’ wat er voorafgaand aan de komst van dat medium nog niet was. Daarna is het niet meer weg te denken, verrijkt het de ervaring. Wat is het genieke van online? Van AI? Welk ‘technisch geluk’ biedt het beeldscherm? Een voorspellend taalmodel?

Ik stel me voor dat we allemaal drones besturen, niet ter oorlogsvoering, maar om elkaar iets te laten zien. Boeken lezen, omdat ons brein dan minder snel atrofieert, we beter kunnen chatten, prompten, kiezen, regisseren, co-piloten.

Darwin was geen gemotiveerde student. Hij vond colleges vaak saai. In zijn autobiografie – die online te vinden is – schrijft hij ‘to my mind there are no advantages and many disadvantages in lectures compared with reading.’ Ik trek me daaraan op. Darwin bestudeerde acht jaar zeepokken (een soort mossel), die hij thuis in bakken hield, en 44 jaar wormen, in glazen potten. 

Wat anders rest dan ervaring?