Liefst drie parkeerterreinen telt mijn bescheiden badhotel. Allemaal zijn ze deze dinsdag tot de laatste plaats bezet. De witte nummerborden met hun erop vermelde Kreise laten over de herkomst van de invasie geen twijfel. Vanuit het Ruhrgebied zit je in drie uur aan de Zeeuwse kust.

Het is begin augustus. Niet alleen de parkeerterreinen, vrijwel alles in Domburg zit vol. Terrassen, winkelstraten, hotels. Het vakantieverkeer wurmt zich door de smalle straten. Wordt het ’s zomers niet té druk in Domburg, vraagt de wethouder met portefeuille toerisme zich af in de lokale pers.

De aanstichter prijkt op ’t Groentje, het snackplein met de viskramen en zonovergoten terrassen. Zijn naam luidt Johann Georg Mezger. Een bronzen borstbeeld op een granieten sokkel brengt hem eer. Mezgers walrussnor hangt als vlassig touw over zijn lippen waardoor zijn gezicht zich moeilijk laat duiden. Kijkt hij geamuseerd of juist narrig?

Een verklarend bordje memoreert dat het monument is geplaatst ‘ter herinnering aan de bekende Dr. J.G. Mezger (1838-1909), die o.a. ten behoeve van personen van Koninklijken bloede zijn praktijk als “knijpdokter” uitoefende’. Het zijn volgens een inscriptie ‘dankbare patiënten’ geweest die het beeld hebben betaald.

Ik had Walcheren verlaten toen slavenschip de Haast U Langzaam door de Engelsen werd gekaapt. De Zeeuwse inkomsten uit zeehandel droogden op onder invloed van oorlog en Franse bezetting. Het pijlsnel gegroeide Middelburg zag zijn inwonertal begin negentiende eeuw net zo hard weer halveren. De herenhuizen raakten leeg en bouwvallig en werden gesloopt. Een stad in verval. Een eiland krampachtig op zoek naar nieuwe negotie. Mezgers magische handen kregen de boel weer los.

***

In het kantoor in een hoek van zijn Domburgse villa bewaart Steven Molkenboer een bescheiden boekencollectie over zijn overgrootvader. Een kleine variant van Mezgers buste pronkt op zijn bureau. ‘Een van de zeven die hij voor zijn kinderen heeft laten maken,’ spreekt hij met twinkelogen. ‘Mijn moeder zei dat opa niet ijdel was. Dat durf ik toch niet helemaal te onderschrijven.’

IJdel lijkt zijn nazaat, midden zeventig, nou niet. Steven (spreek uit: Stieven) Molkenboer draagt een sportshirt en een beige bermuda, waaronder kniehoge blauwe kousen. Een moment monstert hij zijn ondanks het warme zomerweer braaf aangeklede gast. ‘U vindt het toch niet erg dat ik een korte broek draag?’ vraagt hij een tikje bezorgd. ‘Ik heb de hele ochtend in de tuin gewerkt.’

De tuin, dat wil bij Molkenboer wat zeggen. Die omvat zo’n vijfduizend vierkante meter gazon, met inbegrip van een minigreen, een prieel en omliggend bos. Een eldorado waar de tijd van de vroegere buitens van de elite, verspreid over de duinzoom, lijkt voort te bestaan. Vogelgekwetter, spelend kroost. Je mist alleen het geplok van tennisballen. En de pater familias met zijn druipsnor, die voor je gevoel zo uit het struweel tevoorschijn kan stappen.

Hoe anders begon ooit dat familieverhaal.

Vermoedelijk als straatarme vluchtelingen raakten de Mezgers begin negentiende eeuw vanuit Württemberg, Zuid-Duitsland, in Nederland verzeild. In Amsterdam zocht de vader van Johann Georg naar een baantje als slagersknecht, Metzger in het Duits. Hij vestigde zich aan de Prinsenstraat, randje Jordaan, en kreeg kennis aan een meisje uit Vollenhove, dat als dienstbode de kost bijeenscharrelde. Ze trouwden in 1834. Vier jaar later werd na twee dochters hun eerste zoon geboren.

‘Hij moest natuurlijk zo snel mogelijk helpen in de slagerij die zijn vader inmiddels met succes was begonnen,’ vertelt Steven Molkenboer. ‘Moeder stimuleerde hem door te studeren. Zat ie avond aan avond bij kaarslicht boven de boeken.’ Na de middelbare school volgde Johann de gymnastiekschool, die hem als slagerszoon in contact bracht met de betere kringen. ‘Een gediplomeerd gymnastiekleraar kon ook stokvechten en schermen. Dat waren onder de elite populaire sporten. Als je toch met een wandelstok liep, kon je je er maar beter goed mee leren verdedigen.

’De bankier en jonkheer Hendrik van Loon werd een van Mezgers leerlingen en een dierbare vriend. ‘Hij wilde mijn overgrootvader wel sponsoren, zodat die in Leiden medicijnen kon studeren.’ Wie weet zag Van Loon het talent van zijn vriend ook als investering. Mezgers verleden als slager (met de uitgehangen karkassen als studiemateriaal), zijn fascinatie voor gymnastiek en bewegingsleer, en zijn opleiding tot arts kwamen allemaal samen in zijn proefschrift. ‘Nog voordat hij zijn artsexamen deed, had hij zijn promotie al te pakken,’ zegt z’n achterkleinzoon niet zonder trots. ‘In 65 pagina’s. Niet meer.’ De titel van Mezgers korte academische proeve luidde De behandeling van voetverstuiking met fricties. ‘Tot die tijd meende men dergelijke blessures het best met strak verband en zes weken vrijwel volledige rust te behandelen,’ vertelt Molkenboer. ‘Mezger wilde dat doen met masseren en liet de patiënt juist bewegen.’

Met die aanpak begon zijn roem.

***

Als eerste patiënt behandelde Mezger eind 1869 een bejaarde dame uit Bonn. Na een val van de trap kon ze amper bewegen. Met zijn toverhanden kneedde hij haar stijve gewrichten in een paar sessies soepel. Een Duitse geestverwant van Mezger, ene Karl von Mosengeil, publiceerde enthousiast over de werkwijze en wist bij zijn lezers de juiste spier te raken. Ineens ging het snel. Slechts een paar maanden later mocht Mezger de oudste zoon van koning Willem III onder handen nemen. Wat zijn klachten waren is onbekend. Maar dat Mezger opnieuw succes had, blijkt uit zijn benoeming tot Officier in de Orde van de Eikenkroon, hem hoogstpersoonlijk door de dolblije prins overhandigd.

Nu was er geen houden meer aan. Vanuit het hele continent streek de elite neer in de wachtkamer van Mezgers praktijk. Zoals de Zweedse kroonprins Gustaaf, die zich bij een balspel had geblesseerd en maanden aan een stoel gekluisterd zat. Door zijn vader was de pechvogel al min of meer uitgesloten voor de Zweedse troon. Maar zie: na een week van behandeling klom Gustaaf uit zijn stoel en schreed voor een verbluft publiek zonder krukken de eetzaal binnen. Hij zou koning worden, speelde aan de Franse Rivièra zijn potjes tennis en haalde de leeftijd van 93.

Zo zijn er tientallen, honderden verhalen op te tekenen. De ene genezing nog wonderbaarlijker dan de andere.

Was Mezger een tovenaar? Dat toch niet. Hij was met zijn gouden duimpjes feitelijk de eerste, bekwame fysiotherapeut. Iemand die aandacht had voor zijn patiënten, maar zijn knipmessende lakeien gewende clientèle nooit naar de mond sprak. Keizerin Sisi kreeg dringend aangeraden haar levensstijl om te gooien. Met alleen wat knijpen kreeg Mezger haar niet in het gareel, sprak hij vermanend. Ze moest meer eten. En, vorst of niet, wie vijf minuten te laat kwam, kon het vergeten. Dan was Herr Doktor vertrokken. ‘Hij was natuurlijk een eigenwijs…’ begint Steven Molkenboer en slikt het te vermoeden vervolg schielijk in. Het blijft familie, per slot. ‘Eh… een bijzonder mens!

***

Ze zouden het in Domburg gaan merken, maar eerst in Amsterdam, waar Mezger met zijn praktijk was neergestreken in het Amstel Hotel. Kon dat zomaar? ‘Het hotel was voor het toenmalige Amsterdam te ambitieus van opzet. Het stond deels leeg,’ weet Molkenboer. ‘Mezger kon voor de belachelijke prijs van één gulden of zo een hele verdieping huren. Zijn patiënten moesten natuurlijk goed worden opgeborgen.’

Het hotel zijn klanten, Mezger z’n clientèle. Het leek de perfecte combinatie. Maar de viezigheid van het verpauperende Amsterdam stoorde de arts, die belang hechtte aan hygiëne. ‘Mezger schreef er een brief over aan de gemeente. Als je nou niet snel zorgt dat de ratten, de open riolen worden aangepakt, dan ga ik hier weg.’ Het waren de jaren van hardnekkige werkloosheid. De toenemende sociaaleconomische tweedeling leidde in 1886 tot het Palingoproer in de Jordaan. Het volk kwam in opstand tegen bestuurders die wegkeken van de sociale ellende in hun stad. ‘Die rooie Amsterdammers vonden het allemaal vast een stelletje kakkers, daar in dat Amstel Hotel,’ vertelt Steven Molkenboer. ‘Ze scholden zijn patiënten op straat uit. Er zal met paardenvijgen zijn gesmeten.’

Mezger dreigde met vertrek naar het kuuroord Wiesbaden aan de Rijn, waar nog rangen en standen golden en de Duitse reinheid regeerde bovendien. Het lag ook nog eens een stuk centraler voor het gros van zijn vorstelijke klanten.

Zo makkelijk liet Amsterdam zijn befaamde dokter niet gaan. ‘Ik heb hier een onwaarschijnlijke plaquette hangen,’ zegt Molkenboer en hij gaat voor naar de gang. ‘Kijk, ze gaven hem een oorkonde omdat Mezger toezegde de stad voorlopig niet te verlaten. Getekend door allemaal notabelen uit Amsterdam.’ Daar stonden hun namen in honderdvoud: de Van Eeghens, de Van Loons en alle andere vooraanstaande families. Ook het gemeentebestuur spande zich in voor Mezgers behoud.‘

Het was gewoon handel,’ verklaart Molkenboer de Amsterdamse affectie. ‘Mezger trok veel rijke bezoekers. Er werd gegeten, gedronken, er moest logies voor worden geregeld. Dat kon Amsterdam niet missen.’

***

En hoe zat het met Domburg? De Zeeuwse badplaats kwam eigenlijk bij toeval in beeld, na rampspoed in huize Mezger. Zijn eerste vrouw, Maria Reelfs, overleed in het kraambed, amper 21 jaar oud. ‘Toen is hij vrij snel daarna hertrouwd met ene juffrouw Borsius, wier broer een van zijn patiënten was.’ Een familie van aanzien, de Borsiussen, weet Molkenboer. ‘Vader was handelaar en advocaat. Ze hadden een groot herenhuis in het centrum van Middelburg, het voormalige huis van de baron Chassé, dat nu wordt gebruikt door de plaatselijke sociëteit.’

Om het stinkende Amsterdam ’s zomers met vrouw en kinderen te kunnen ontvluchten, kocht Mezger een landgoed aan de binnenrand van het Domburgse duin. ‘Daar verbleef hij twee, drie maanden. De rest van het jaar werd het terrein onderhouden door een housekeeper en een hovenier.’

In 1886 begon de bouw van de Domburgse Villa Irma, een zomer later trok het gezin erin. Steven Molkenboer trekt een prentbriefkaart tevoorschijn, waarop de in 1949 door brand verwoeste villa glorieert. Een in classicistische stijl opgetrokken landhuis, met een wulps torentje dat het front doormidden deelt en de statigheid van zwier voorziet. ‘Ongelooflijk, niet?’

Mezgers achterkleinzoon lijkt nog steeds geroerd door de foto, het huis waar zijn moeder als kleuter nog heeft gespeeld. ‘Het was net zo diep als het breed was. Een flinke hut. Doodzonde dat het is afgebrand. Al grapte ik later weleens tegen mijn moeder dat je er ook blij om moest zijn. Alleen aan het schilderen van de luiken zou je nu jaarlijks twintigduizend euro kwijt zijn. Om over de rest van het huis maar te zwijgen.’

Dat soort praktische overwegingen telde eind negentiende eeuw niet. Mezger had daar op Walcheren ineens wekenlang zijn handen vrij. ‘Hij was een nijvere man, stilzitten was er niet bij. Hij dacht: als er hier patiënten rondlopen, dan behandel ik ze. Twee, drie maanden per jaar begon hij in Domburg een huisartsenpraktijk.’

De stoet van vorsten die door het jaar heen naar Amsterdam kwam, trok vanaf de zomer van 1887 naar de Zeeuwse kust.

***

De ‘tuin van Europa’ werd Walcheren wel genoemd. Vanwege het grillige eikenbos op het duin. De kronkelpaden die de bloeiende weides doorsnijden, in het voorjaar omlijst door witte kragen van de meidoorn. En het strand, dat in Zeeland al heller lijkt op te lichten dan aan de rest van de Hollandse kust – een eerste vleug Côte d’Azur.

In navolging van het Scheveningen van Anthonij Moll en het Oostende van walvisventer Herman Kessels was ook in Domburg in 1837 het eerste badpaviljoen verrezen. Een moeizame toestand. Zag in die tijd maar eens op de westpunt van Walcheren te geraken. Strandbezoek vanuit Holland of Vlaanderen sukkelde per koets het hele eiland over. Vooral de lokale bevolking zal in het paviljoen op zomerse dagen haar koffie met een Zeeuwse bolus hebben gebruikt.

Maar er was het licht, het beroemde Zeeuwse licht dat schilders al vroeg naar Domburg trok. De Antwerpse zakenman Emile De Harven hield in zijn Zeeuwse zomerverblijf open huis. Onder anderen ‘zonneschilder’ Emile Claus kwam er geregeld. Zijn Gezicht op Domburg uit 1879 toont het slaperige dorp zoals het dat ooit was. Zeeuwse meisjes, spelend in de duinen. Rode puntdaken. De enige wandelaars in de dorpsstraat zijn vier Zeeuwse vrouwen. Met hun witte hoofddoeken en wijde zwarte rokken lopen ze innig gearmd in de richting van de kerk.

Stel, Claus zou datzelfde schilderij vijftien jaar later opnieuw maken, er zou een ander Domburg op het doek verrijzen. De spoorlijn die sinds kort Roosendaal met Vlissingen verbond – en via aansluitend spoor en de stoomvaart Berlijn met Londen – bracht met de reizigers de welvaart naar Walcheren. Op station Vlissingen verrees een koninklijke wachtkamer voor de talloze vorsten die er wachtten op de boot over het Kanaal.

Wie maakte na de vermoeiende treinreis hun stijve spieren los?

Het nabijgelegen Domburg was inmiddels een modern badpaviljoen rijker met een concertzaal, een damessalon, een leeskamer, een plek om te biljarten en diverse baden met verwarmd zeewater. Het paviljoen opende in 1889 de deuren, twee jaar nadat de Mezgers hun Villa Irma hadden betrokken. Had hij meteen een passend onderkomen voor zijn vorstelijke cliënten, als ze de stationswachtkamer liever verruilden voor zijn warme handen en een verblijf aan zee.

En ze kwamen.

Het Zeeuws Archief beheert een beeldbank met honderden portretfoto’s, door gelukkige patiënten geschonken aan hun dokter. Anonieme mannen in uniform, behangen met tressen en sjerpen. Vrouwen in japonnen als chocoladefonteinen. Een enkeling heeft wat woorden van dank op de vergeelde foto gekrabbeld.‘

Overal waar je komt wordt gezegd dat dankzij – nee, ik moet op mijn woorden letten – dat mede dankzij Mezger Domburg aan het begin van de vorige eeuw een geweldige zwier naar boven heeft gekregen,’ zegt Steven Molkenboer. ‘Daardoor was er geld, daardoor waren er hotels. Domburg was al in opkomst als badplaats, maar hij was de katalysator die ervoor heeft gezorgd dat het proces goed op gang kwam. En dat is sindsdien doorgegaan, gelukkig.’

Ook schilders als Jan Toorop en Mondriaan ontdekten Domburg. Vanwege dat magisch-klare licht dat duin en bos doet fonkelen. Maar ook vanwege de rijke gasten die zich een leuk natuurwerkje konden veroorloven. ‘Ik denk dat heel veel oude families op zolder nog Mondriaantjes hebben liggen.’ Zelf had Molkenboer een exemplaar ontdekt op een internationale kunstbeurs. ‘Gezicht op Domburg, prachtig.’ Hij houdt zijn handen een centimeter of twintig uit elkaar. ‘Zo groot, maar.’ Molkenboer had de stoute schoenen aangetrokken en de Amerikaanse handelaar gevraagd wat het moest kosten.

‘Twelve and a half million dollars.’

Grijns: ‘Moest ik eerst even met mijn vrouw overleggen.’

***

Mezgers zeventigste verjaardag werd in 1908 in het dorp groot gevierd. In bijzijn van de groothertog van Mecklenburg en prinses Marie van Saksen-Weimar kreeg de jubilaris uit handen van Domburgs burgemeester een beker met inscriptie, ‘aangeboden door dankbare patiënten’.

Het waren niet alleen vorsten en vorstinnen. In Domburg had Mezger de gewoonte de Zeeuwse boeren bij hun behandeling in Villa Irma voorrang te verlenen. Zij hadden vanwege het boerenbedrijf geen tijd om te wachten. Een rijke gravin die zich daarover beklaagde, kreeg de wind van voren. ‘Mevrouw, ik ken geen gravinnen, alleen patiënten.’

Mezger had een sociaal hart, weet z’n achterkleinzoon. ‘Voor een behandeling rekende hij standaard drie gulden of zo. Maar sommige werklieden en boeren uit Domburg hoefden niks te betalen.’ Het kon z’n eigen achtergrond zijn als slagersknecht, die in dergelijk handelen doorschemerde. Of zijn spaarbankboekje. Niet alleen had Mezger een bemiddelde vrouw, ook zijn praktijk rendeerde. ‘Hij had veel grond. Wel zeven, acht huizen in Amsterdam, de villa in Domburg. Daarnaast twee stukken van elk twee hectare hier vlakbij, in Oostkapelle. Hij was een voor die tijd zeer gefortuneerd man. Het was niet alleen maar wrijven, hij stuurde ook rekeningen.’

En brieven. In Amsterdam konden ze erover meepraten. Na nieuw gedoe over de voorzieningen met de gemeente besloot Mez­ger in 1889 dan toch te verkassen, de dankbetuiging van de notabelen ten spijt. Eerst naar Wiesbaden, later naar Parijs. Maar de zomers bleven aan Domburg voorbehouden.

***

In 1909 overleed Molkenboers overgrootvader uiteindelijk na een kort ziekbed. Veertig jaar later brandde, zoals gememoreerd, zijn villa af. Toch was de band tussen de nazaten en Domburg gebleven. Dat zit zo. Een rijke Keulse fabrikant van eau de cologne had ooit een deel van zijn winst belegd in een villa aan het Zeeuwse strand. Later werd het charmante vierkante huis, pal naast het Domburgse badpaviljoen, een favoriet onderkomen van de Roemeense koningin Elisabeth von Wied, trouw zomerklant van Mez­ger. Zij schreef er romans en gedichten onder het pseudoniem Carmen Sylva. Dat werd de naam van het huis. Ook Clara Schumann kwam er graag.‘

Carmen Sylva werd begin vorige eeuw verkocht aan mijn grootmoeder van de Molkenboer-kant,’ vertelt kleinzoon Steven. ‘Daar hebben mijn ouders elkaar ontmoet. Zo komen Molkenboer en Mezger samen.’

Hoewel hij opgroeide in Twente en daar ook eerst in de textiel­industrie was beland, zat Steven sinds de Tweede Wereldoorlog elke zomer zes weken in Carmen Sylva. Ook het buiten van de Mezgers bezocht hij graag. ‘Na de brand van 1949 besloot mijn grootvader het niet te herbouwen. Hij zat liever zes weken per jaar in het badhotel. Toen hij in 1970 overleed, hebben mijn moeder en haar enige broer het terrein van Villa Irma doormidden gedeeld en er elk een huis op gezet. Op een goeie dag heeft zij haar deel verkocht aan mij. In 2011 zijn wij hier permanent komen wonen, maar ik kende toen al alle bomen op dit terrein.’

Ik vraag hem hoe het leven in Domburg bevalt. ‘Het is een prachtig gebied,’ reageert hij. ‘Vrijwel altijd fris, mooi weer. Ik heb een paar jaar geleden zonnepanelen gekocht. Dan krijg je een kaart van Nederland met de meeste zonne-uren. Die zitten in Den Helder, Domburg en Cadzand, stuk voor stuk punten in de Noordzee.’

En toch staat zijn huis die zomer van 2019 te koop. ‘Het wordt te groot voor mijn vrouw en mij. Al dat onderhoud aan de tuin.’ Speelt de drukte in Domburg ook een rol? Hij schudt zijn hoofd. ‘Mensen klagen dat er veel Duitsers zijn. Geen wonder. Als je vanuit het Ruhrgebied naar de Duitse kust moet rijden, ben je zo zes uur onderweg. De Zeeuwse kust bereiken ze in minder dan de helft. En de Duitsers zijn hier niet nieuw, hè? Ze kwamen hier altijd al veel, al sinds de tijd van Mezger.’

Molkenboer had zelf vier jaar in het Ruhrgebied gewerkt. Hij bekeek de zomerse plaag met andere ogen, als een blessing in disguise. Hij zegt: ‘Op Walcheren is er afgezien van Damen Shipyards en een paar omliggende bedrijven weinig bedrijvigheid. Er is veel minder industrie dan vroeger. Domburg brengt het eiland veel goeds. De economie draait dankzij het toerisme als een tierelier. Bij de golfclub neemt het aantal Landrovers jaar na jaar toe, al is het hier by far nog geen Wassenaar.’

Die welvaart is de erfenis van zijn overgrootvader. Ruim een eeuw na zijn dood wordt Mezger overal in het dorp herdacht, je struikelt er over zijn naam. De prijzige Mezger Lodges (vakantievilla’s met inpandige wellness), een borstbeeld in het badpaviljoen, en dat ene dus, centraal op het plein.

Het was niet altijd zo geweest. ‘Jaren geleden liep ik op een goeie dag eens over ’t Groentje,’ zegt Steven Molkenboer. ‘Het beeld zag er abominabel slecht uit. Heb ik met de gemeente gebeld. Ja, ze herkenden mijn klacht, maar renovatie kostte een hoop geld, wel 2.500 gulden. Daar was geen budget voor, vertelde de dienstdoende ambtenaar. Ik beloofde met mijn moeder te overleggen. Afijn, toen wij aanboden de helft te betalen, wilde de gemeente het wel doen.

Johann Georg Mezger staat weer te glimmen tegenover de volgepakte terrassen. Al houdt het bij hem iets vreemds, zo’n net onder de schouders afgezaagd borstbeeld. Je wilt z’n handen zien, die gouden duimpjes waar het voor Domburg allemaal mee begon.

stem: martin hendriksma
titel: gouden duimpjes, domburg, 1887
perspectief: ‘hendriksma voert je mee langs onze kust, als een banketbakker langs zijn taartjes’ (pieter waterdrinker)
bron: aan zee, een kroniek van de kust (2021) – vijf eeuwen kustbeleving
mopw: meerstemmige encyclopedie