De reis gaat verder, almaar verder naar het zuiden, tot je in de buurt van Epen midden tussen de heuvels zit en je afvraagt waarom dit stukje België eigenlijk tot Holland wordt gerekend. Je laat de wagen staan bij een hoog-ommuurde boerderij. Met laarzen aan trek je het dal in waar de Geul stroomt, niet de heldere bergbeek die je verwacht had, maar een troebel, loodgrijs riviertje. Ook al vervuild. Op de hoge oever, aan de rand van een glooiend weiland, doen bloempjes hun best om niet op te vallen. Fletsgeel zijn ze. Vier kleine bloemblaadjes boven, één wat groter aan de onderkant. Vanuit het botergele hart lopen fluweelbruine strepen de blaadjes in. Dat is ‘m dan: het zinkviooltje! William laat zich terstond op zijn knieën vallen, niet zozeer van verrukking, als wel omdat zoiets van zeer nabij gefotografeerd moet (en kan) worden. Prima, zo’n plantje dat zich keurig op de afgesproken tijd vertoont en er niet als een haas vandoor gaat zodra je er een camera op richt. Daar kunnen dassen een voorbeeld aan nemen. Verder is het verhaal in een paar woorden verteld. Vroeger trad de Geul elk voorjaar buiten zijn oevers. De laag slib die werd afgezet bevat zinkdeeltjes van de mijnen in de Ardennen, waar het riviertje vandaan komt. Zodoende ontstonden hier de enige vindplaatsen van zinkflora in ons land. Behalve het zinkviooltje bestaan ook nog de zinkboerenkers en het zinklepelblad. De wei is ondertussen tot reservaat gepromoveerd. Hij wordt wel verpacht, maar de boer mag er geen kunstmest gebruiken en niet te veel koeien laten lopen. Bij te zware bemesting zou het zinkviooltje verstikt worden door uitbundiger planten, bij intensieve betreding zou het de poreuze bodem verliezen die het nodig heeft. Eeuwig zal het zinkviooltje zich hier desondanks niet kunnen handhaven, want de Geul is getemd en overstroomt niet meer, en de zinkmijnen zijn buiten bedrijf. Terug naar je auto. Je kijkt goed uit waar je je voeten neerzet, want het zijn echt heel onooglijke bloemetjes. In het dichtstbijzijnde gehucht koop je een abrikozenvlaai. Tweehonderdvijftig kilometer voor de boeg en het gevoel dat je ergens het contact met de realiteit bent kwijtgeraakt. Al die moeite voor een zinkviooltje. Waar maak je je druk om?

stem: koos van zomeren

titel: verboden te plukken (uit: de grote droogte in waterland)

perspectief: wat is natuur nog in dit land? Een bloemlezing uit ons landschap met als terugkerend thema Van Zomerens onvrede over de voortgaande tweedeling van het Nederlands landschap, zodat de natuur een plek wordt ‘waar je van tijd tot tijd op bezoek gaat’

bron: de bewoonde wereld (1998, De Arbeiderspers)

[Dat op zink een plantje groeit, dat bijna nergens anders groeit, dat door zijn aanwezigheid het signaal geeft: hier zit zink in de grond mensen: mijnexploitatie mogelijk. Bij het delven van erts verspreidt het zink zich vervolgens in de omgeving, gunstig voor het plantje. Prachtige bloemen, overvloedige gele velden tref je op wikipedia. Sommige hebben twee paarsblauwe blaadjes, alsof ze een rugbyshirtje dragen.]