Koffie. Matineuze verpozing bij de ochtendkrant. Vijf uur slaap is genoeg geweest om de dag verder dromend met open ogen succesvol door te brengen. Met stijgende verbazing lees ik dat Olga Tokarczuk de Nobelprijs voor literatuur heeft gewonnen. Wie behalve meneer Tokarczuk kan zeggen dat hij een maand lang met de Nobelprijswinnaar voor literatuur in stijl bij kaarslicht heeft gedineerd? Vijftien jaar geleden of daaromtrent werd er voor Olga en mij dagelijks gekookt door Alexandra Cool, een kunstenares die een schrijvershuis voor twee personen runde in Vollezele, een gehucht vijfentwintig kilometer onder de rook van Brussel. De residentie zetelde op een heuvel te midden van een schamel plukje bomen dat resteerde van het Hellebosch waarnaar de villa vernoemd was. Deze was van haar vader geweest, opperrechter aan het internationale hof voor de rechten van de mens, die op een noodlottige dag uit zijn fauteuil voor de brandende open haard was opgestaan en, ten val gekomen door een hartaanval, daags erna half verkoold werd teruggevonden. Olga vertelde het me verlekkerd op de eerste avond dat we samen dineerden, met de haard in de salon naast de eetkamer als stille getuige.
Echt romantisch wilden onze gesprekken ondanks ons veelbelovende begin niet worden, voornamelijk vanwege ons naar onze eigen maatstaven gebrekkige Engels, dat tussen het kauwen door nauwelijks afdoende bleek om aan de vlucht die onze gedachten wilden nemen de nodige lichtheid te geven. Elke dag klokslag zes kropen we elk aan weerszijde van een lange donkere gang hongerig uit ons schrijfhol, om ons vervolgens langs de vele fotoportretten van schrijvers die ons in Villa Hellebosch waren voorgegaan, naar de met voortreffelijke spijzen opgetaste dis te begeven. Als ontheemde kinderen die aan tafel werden geroepen. Waarom zetten ze dat niet in de krant?
Bij het eten hield Olga steevast een plaid om zich heen geslagen omdat ze het altijd koud had, en onder haar py- jamabroek droeg ze van die opzichtige sloffen, groot als theemutsen, waarop ze voorzichtig over de gladde linole- umvloer had leren lopen. Een schaatsen was het meer, zo gleed ze door Villa Hellebosch, met de plaid als een cape achter zich aan. En later die maand, samen op pad, als op kousenvoeten tussen de winterlandschappen van Bruegel en Avercamp in het Museum voor Oude Kunsten van zaal naar zaal.
Een ideale combinatie van hoge en lage cultuur, zo vatte ze de tentoonstelling tijdens het eten samen, wat ik betwijfelde, want we zagen weliswaar alledaagse taferelen maar dat maakte het niet tot volkscultuur. De gewone man op een kakdoos, ten voeten uit kotsend achter een struikje: ze verheelden de verfijnde techniek waarmee het geschilderd was en toonden slechts het gewone alsof het gewoon was.
Die avond volgde een verhitte discussie, de eerste echt bezielde, met whisky bij de open haard. Ik betoogde dat wat mij betreft geen appels met peren moesten worden vergeleken en dat wanneer men dat wel deed, alles – rijp, groen, mooi, lelijk, gevoelig en ronduit sentimenteel, smaakvol en ordinair, origineel en kopie, kortom alles tussen kunst en kitsch – in een schier oneindige, ja, alles omvattende maar niets bevattende verzameling zou worden gelijkgeschakeld. De cultuur als grote nivelleerder. Als vlakschuurmachine! Is dat wat ze wilde? Met die strijkbouten van haar, aan haar zwabberende voeten? Idealiter snelt de krantenlezer koppen met minder omhaal.
Die godvergeten discussie over Mickey Mouse geofferd op het altaar van het modernisme, en in de armen van op Minnie Mouse bijgezet als piëta in de kerk van het postmodernisme, dacht ik met lieden als Rob [Scholte] en Joost [Zwagerman] en met andere van mijn generatiegenoten allang achter me te hebben gelaten, maar in de jaren nul van het kersverse millennium moest voor sommige hardleerse Europese gebiedsdelen de hele dialoog zo nodig van voren af aan opnieuw worden gevoerd. Nee, het zou niet meer weggaan, dat ellendige cultuurrelativisme. Dat eeuwige ge-ja-maar als het gedrens en gejengel van kinderen. In het Pools begon Olga een slaapliedje te zingen waarvan ze met haar wiegende hand de maat aangaf en ze verklaarde dat dit deuntje in niets voor De Toverfluit van Mozart onderdeed. In gedachten zie ik de opperrechter weer uit zijn stoel opstaan en met zijn handen naar zijn hart grijpend plat op zijn gezicht voorover in de vlammen vallen.
stem: rené huigen
perspectief: in een bovenwoning aan de Bellamydwarsstraat met een kapotte antieke stortbak werkt ‘de man die alles zag’ op een typemachine aan het verhaal over de literaire jaren tachtig in Amsterdam
titel:
bron: de man die alles zag (2021, de bezige bij)
mopw: meerstemmige encyclopedie