In een interview uit 1987 merkte Dick Hillenius op: ‘Ik denk dat de kunst vaak aan de wetenschap voorafgaat. Dat komt omdat de kunstenaar niet belemmerd wordt door de strakke regels die in de wetenschap zijn voorgeschreven.’ De evolutionist Hillenius (1927-1987) had een passie voor amfibieën en reptielen en schreef een dissertatie over de verspreidingspatronen en verwantschappen van kameleons – hij schreef nog chameleons – in Afrika. Ik noem zijn inzet met opzet gepassioneerd, want van ambitie, die met ware passie vaak op gespannen voet staat, moest hij niet veel hebben.

Zijn wetenschappelijk werk behelsde voor een belangrijk deel het onderscheiden en beschrijven van de verschillende genera, soorten en variëteiten. Het tastend zoeken naar varianten op het ontwerp ‘chameleon’ die in de loop van de evolutie waren ontstaan: de ritmische herhaling, de kleurpatronen en schakeringen, telkens verschillend als muzikale varianten op een centraal thema. Bij Hillenius word je steeds weer getroffen door zijn muzikale manier van schrijven, of hij het nu heeft over kameleons, ritme en kleur van een Zuid-Frans pannendak, of notities en invallen naar aanleiding van een concert van Thelonious Monk dat hij had bijgewoond.

Doel van zijn wetenschappelijke werk was te komen tot een classificatie die een adequate afspiegeling zou zijn van de evolutiegeschiedenis van de kameleons. Dat classificeren vond destijds nog niet plaats met behulp van de moleculaire technieken die tegenwoordig vergelijkend dna-onderzoek mogelijk maken, maar uitsluitend op grond van vorm- en gedragskenmerken. Intuïtie en ervaring van de onderzoeker speelden daarbij een belangrijke rol. Om dit werk te kunnen doen, moest je eerst gevoel krijgen voor de betreffende diergroep, je verplaatsen in hun manier van leven, hun gedragingen observeren: ‘En ook al zie je weinig chameleons, je hoopt altijd in het landschap aanwijzingen te vinden die in de literatuur of de dode dieren niet te vinden zijn,’ schreef hij in het essay ‘Te Kenya te kust’.

Een student die eind jaren zeventig van de vorige eeuw in het Franse Ambleteuse stage bij hem liep, bracht tijdens een van Hillenius’ werkbezoeken aan dit moerasgebied verslag uit over een poel­snip die hij er pas nog had gezien. Ze trokken er samen op uit. Terwijl ze kikkers determineerden, planten keken en als gastronomen de smaak van verschillende bladeren proefden, letten ze intussen goed op of de poelsnip nog ergens opdook. De poelsnip, was dat de snip die in zigzagvlucht aan zijn belagers ontsnapte, of was dat nou juist de watersnip? Al had Hillenius de poelsnip nooit eerder gezien, hij had wel paraat dat er iets kenmerkends was aan het vluchten van snippen. Helaas vertoonde de vogel zich niet, maar daarover was Hillenius in het geheel niet teleurgesteld. Hij had voor zijn gevoel allerlei facetten van de poelsnip wél gezien en opgetogen in zich opgenomen. Hij had een idee gekregen van de ecologische nis waarin de poelsnip zich verschanst en die minstens zo veel over de vogel zei als de kleur van zijn veren of de vorm van zijn snavel.

Voor Hillenius sprak het haast vanzelf dat je een zeldzame vogel niet direct de eerste keer zag, al moest je er wel op bedacht zijn. Iets onverwachts verwachten als je door een landschap liep, daarom ging het en daarop was hij voortdurend gespitst, met opengesperde zintuigen. Niet anders dan wanneer hij luisterde naar een uitvoering van moderne muziek waarbij hij wachtte op het moment dat hij geraakt zou worden en het hersenmechaniek begon te knetteren.

Taxonomie bedrijven impliceert globaal kijken, dan inzoomen en gedetailleerder inspecteren. Het gaat erom te zoeken naar overeenkomsten, maar tegelijkertijd oog te krijgen voor de verschillen. Tussen die twee bestaat altijd spanning. In het geval van Hillenius’ studie: het gaat in alle gevallen om kameleons, maar de ene soort is de andere niet. De vaak op gevoel gemaakte eerste indeling, die alleen dankzij het vertrouwen in eigen zintuigen tot stand kan komen, werd vervolgens ‘hard’ gemaakt door eindeloos tellen en meten van onderscheidende kenmerken: lichaamsgrootte, pootlengte, aan- of afwezigheid van versierselen als hoorntjes, of flappen, aantallen rijen schubben, of de lengte van een uitrolbare en dan ineens zeer inhalige tong.

Werk, zou je denken voor een nauwgezette, systematisch voortploeterende geleerde, en niet direct voor een speelse geest als Hillenius, met zijn zwak voor slordigheid. Want in zijn essays en notitie-achtige gedichten die zich aan rijmschema’s of andere dwang weinig gelegen laten liggen, deed hij juist het tegenovergestelde: scheidingen opheffen, verschijnselen uit biologie, literatuur, beeldende kunst en muziek in een breder verband zetten. Er is Hillenius door serieuze wetenschappers en science writers wel verweten dat hij structuurloos schreef, van de hak op de tak springend. Nooit eens een strak opgebouwd verhaal met een informatief begin, gevolgd door een centraal deel met een hoogtepunt dat dan degelijk afgesloten wordt met, liefst puntsgewijs opgesomde, conclusies. Dat was inderdaad niets voor Hillenius. Hij was aangever van ideeën, noteerder van losse invallen, sceptisch ten opzichte van afronding. Taal was voor hem veel meer dan een handig transportmiddel om leergierige lezers een wetenschappelijke boodschap in te peperen. Hillenius, dichter en essayist, zette vooral aan tot denken, riep vragen op, maar definitieve antwoorden gaf hij zelden. Hillenius was, zoals K. Michel het eens noemde, vooral een opperaar.

Voordat hij biologie ging studeren heeft hij nog overwogen om componist te worden. Daarvan heeft hij afgezien, maar zijn muzikaliteit – hij speelde goed piano – dook op in zijn schrijverij, als een bal die onder water wordt geduwd en weer naar boven komt. Hillenius lezen is hem piano horen spelen. Met vertragingen en versnellingen, hier en daar dramatische ontladingen, maar nooit drammerig, of opdringerig, laat staan bombastisch. Soms ogenschijnlijk voortkabbelend, maar onderwijl ongemerkt spanning opbouwend om dan ineens een scherp accent te laten horen; het moment waarop de Hilleniuslezer het onverwachte krijgt waarop hij heeft leren hopen: de poelsnip in zijn tekst. Wat je hoort tijdens het lezen van Hillenius is de mooie muziek van een pianist met een associatieve, springerige, improviserende linkerhand (in plaats van, zoals bij veel improviserende pianisten, de rechter), terwijl zijn rechterhand, op grond van de grote kennis die hij bezat, rationele invulling geeft. Zo krijgt de tekst toch nog een skelet, al is dat soms minimaal.Als tegenstander van starre regelgevers, bureaucraten en vakidioten begreep Hillenius dat elke ontdekking in de kunst of de wetenschap juist berustte op het samenbrengen van ongerijmdheden, het verbinden van onverbonden terreinen, en het overbruggen van tegenstellingen. Zo sprong hij in zijn essays onbekommerd van kunst naar wetenschap, van Satie naar paddengefluit, van de mens naar andere apensoorten, of van beeldende kunst naar Darwins theorie van seksuele selectie.

Wetten zijn
De strakke lijnen van ijskristallen
Netten wevend
Van de dood

Leven is
In ontduiken van wetten
Vechtend ontkomen
Aan vernietiging

Dit gedicht uit zijn eerste bundel Tegen het vegetarisme suggereert hoe Hillenius, die constant op zijn hoede was niet ingekapseld te raken in welke gevestigde hiërarchie dan ook, hierover dacht. Een hiërarchie, vond hij, ‘moet steeds weer uitgetest en geprovoceerd worden, anders is het effect verstikkend en krijg je tirannie van bovenaf. Om dát tegen te gaan hebben we nu weer de kunst nodig. Want één van de belangrijkste functies van de kunst vind ik het verstoren en doorbreken van de hiërarchie – het maken van ademgaten – zodat, ook al zit je ergens in een onderlaag, je jezelf via de kunst kunt bevrijden’.

Hillenius deed dat met verve door naast zijn wetenschappelijke werk te schrijven en te dichten. Hij zag die bezigheden als een manier om voor zichzelf een geestelijk territorium te verwerven, en schiep er zelfs in een moeite door een geheel nieuwe nis mee voor de biologie in de Nederlandse cultuur. Ik herinner me nog hoe laatdunkend daarover werd gedaan door zijn collega’s. Zou hij er niet beter aan doen zich te concentreren op zijn wetenschappelijke werk in plaats van gedichten en essays te schrijven, of zelfs reisverhalen voor de Avenue? Ik zal niet ontkennen dat Hillenius het goed voor elkaar had; het zou tegenwoordig niet meer kunnen. Maar zijn afgunstige critici beseften naar mijn idee onvoldoende dat hij beschikte over een zeldzame combinatie van literair, wetenschappelijk en muzikaal talent. Hoe beminnelijk en inspirerend deze excentriekeling voor zijn studenten was, zagen ze al helemaal niet. Misschien leerde je van Hillenius inderdaad niet hoe je wetenschap moest bedrijven op het hoogste niveau, maar wel waar het leven om draait en dat het spannend is. Dat je eropuit moet trekken, je zintuigen moet laten prikkelen om zo op ideeën te komen. Hem ging het niet in de eerste plaats om de abstracties, niet om het idee, maar om de kleuren, sappen en vormen. Om de smaken en geuren – die waren belangrijk. Desnoods de stank van rotting. Het ging om het sensuele, het likken en bijten en niet te vergeten het strelen (met de haartjes mee of ertegenin). Alles beter dan een steriel innerlijk schouwen.

Veel van wat Hillenius heeft geschreven is nog altijd zeer goed leesbaar. Dat komt doordat hij wist te vermijden dat hij een science writer (inkapseling in de wereld van de wetenschap) werd. Zonder zichzelf ermee op het oog te hebben schreef hij: ‘[…] een echte dichter geeft met niets dan een beschrijving, zonder “en daaruit volgt”, zonder “dus”, verklaring en antwoord. Alle beschrijvingen in de wetenschap zijn vertalingen van het waargenomene. Vandaar dat men telkens kan vragen hoe, waardoor en desnoods waarom. Bij een beschrijving van een dichter krijgt men geen vertaling, geen portret, maar een origineel’. Dat gaat ook op voor een groot deel van zijn eigen werk: het is niet verouderd, al zijn sommige wetenschappelijke inzichten die hij ter sprake brengt dat zeker wel. Hillenius lees je om zijn muzikale stijl, om een pianist aan het woord te horen, niet in de eerste plaats om geschoold te raken in biologische onderwerpen.

Intussen zet hij je wel aan het denken over de wrede waanzin van de bio-industrie, over de pijn die veel dieren zonder twijfel hebben, al zijn er mogelijk uitzonderingen, zoals de oester. Ook schreef Hillenius over de erbarmelijke omstandigheden waaronder mensapen in sommige dierentuinen nog altijd werden gehouden, maar hij was kritisch over activisten die nertsen bevrijdden. Onvrijer dan een bevrijde nerts in Nederland kon je je volgens hem bijna niet voelen. En beseften de activisten wel wat voor negatieve effecten een bevrijde nerts, een exotische soort, op ecosystemen kon hebben? Aan idealisten had Hillenius een hekel, hoewel hij sympathiseerde met hun zorg om gevangen dieren.

Inconsequent was hij ook. Hij maakte vele reizen binnen en buiten Europa en bracht soms een paar boa’s of een pad als souvenir mee naar huis. En vaker nog planten. Met die exoten verrijkte hij dan zijn tuin. Door het plotseling uitkomen van wilde dichtersnarcisjes die hij uit Zuid-Italië had meegenomen voelde hij zich – ook al door hun zachte geur – opeens directer verbonden met wandelingen die hij daar lang geleden had gemaakt. Het scharrelen in zijn tuin moet voor Hillenius zijn geweest als het bladeren in oude dagboeken en notities. Hij zag zijn tuin als een soort ruim geheugen. Sommige herinneringen stierven, andere groeiden, kwamen tot bloei, kregen nazaten.

Terugkerende tegenstelling bij Hillenius is die tussen hebben en zijn. Sommige mensen verzamelen bezit: een territorium (huis met tuin, spullen, geld of goud). Ze creëren stabiele omstandigheden die zoveel mogelijk zekerheid en veiligheid garanderen. Het sedentaire type. Zwitserleven. Voor anderen telt de ervaring zwaarder dan materieel bezit. Mensen met een eerder nomadische instelling, minder groeiende zeepok. Een reiziger als Hillenius zocht die ervaring actief op. Hij zag het als de manier bij uitstek om zijn zintuigen te bespelen, nieuwe indrukken op te doen, en zo zijn hersenmechaniek te prikkelen. Reizen als preventie tegen stompzinnigheid, die hij geneigd was letterlijk te nemen (stompe zinnen). Tijdens een van zijn reizen naar Spanje vond hij eens een grotsalamander, en voelde zich ‘springend vanbinnen’ toen hij het dier voorzichtig oppakte en diens pootjes zich om zijn vinger klemden. Na hem goed te hebben bekeken, liet hij hem weer vrij. De ervaring volstond.

Toen ik in 1976 op het punt stond om naar Madagascar te vertrekken, ging ik bij hem langs om te vragen of hij nog tips had. Waar je kameleons, boomkikkers of halfapen zou kunnen zien in het regenwoud. De aye aye, het vingerdier, misschien zelfs, die uiterst zeldzaam geworden insectenpeuteraar. Of wist hij plaatsen met houten voorouderbeelden van het Sakalava-volk die op de reusachtige graven (tombeaux) van aanzienlijke lieden in het droge zuiden stonden? Door daarover te vertellen werd hij zo enthousiast dat hij bekende me te benijden. Hij zou zo mee willen.Over hebben of zijn, over het verzamelen van materiële voorwerpen of ervaringen schreef hij herhaaldelijk. Verzamelen beschouwde hij als een bescheiden vorm van creëren. De verzamelaar maakt door te selecteren en te verbinden iets levends. Je kunt ook niet ongestraft elementen uit een verzameling verwijderen. Als dat niet omzichtig gebeurt, is de kans groot dat het geheel in elkaar dondert en waardeloos wordt.Het boekje De hersens een eierzeef, dat werd uitgegeven naar aanleiding van een gastschrijverschap aan de Universiteit van Groningen, bevat een mooi interview met de gedragsbioloog Niko Tinbergen, die toen in Oxford werkte. De directe aanleiding voor Hillenius’ reis naar Oxford was dat Tinbergen samen met twee andere gedragsbiologen, Konrad Lorenz en Karl von Frisch, de Nobelprijs had gekregen. Toch vermoed ik dat de belangrijkste reden om te gaan een andere was. Tijdens het vraaggesprek maakte Hillenius van de gelegenheid gebruik om Tinbergen te vragen waarom hij toch zo gekant was tegen vertolkers van de wetenschap als Ardrey, Storr en Hillenius zelf. Tinbergen liet doorschemeren van zo’n vertolker te verwachten dat hij schreef als een betrouwbare science writer, zo eentje die zich verre houdt van speculaties. Hillenius hoopte waarschijnlijk dat Tinbergen hem in die rol zou waarderen en gerust zou stellen. Maar Hillenius was helemaal geen science writer. Wel een erg goede pianist.

stem: tijs goldschmidt
titel: ademgaten
perspectief: ‘met zijn beschouwingen wil Goldschmidt de kloof tussen alfa, bèta en gamma overbruggen. ‘Ik hoop een verbindende schakel te zijn, een missing link. Ik heb er plezier in mensen die schrikken van de naam van een gen ongemerkt iets te laten begrijpen waarvan ze denken dat het niets voor hen is.’
bron: vis in bad (2014) – essays
mopw: meerstemmige encyclopedie