Afgelopen september ging ik een wandeling maken achter de studio waar ik altijd schrijf. Ik heb een plek in een oude boerderij – in wezen een soort kast – die verder bevolkt wordt door beeldend kunstenaars. Meer ruimte zou ik eigenlijk niet gepast vinden. Een kast is alles wat ik nodig heb, en een smalle plank waarop ik mijn computer kan zetten. Hoe dan ook, ik ben geneigd meer tijd door te brengen met wandelen dan met schrijven. Dan loop ik door de boerderij naar de velden daarachter, waar ik, als ik dat wil, in een uur over het North Downs Way-pad naar Canterbury kan lopen. In de tegenovergestelde richting ligt een rij kleine dorpscafés waar ik een poosje kan gaan zitten en doen alsof ik iets aan het overpeinzen ben.

Maar over het algemeen ga ik even een luchtje scheppen, om daarna weer naar mijn scherm terug te keren. Als je de ene kant op gaat kom je bij een walnotenboomgaard, ga je de andere kant op, dan kom je bij een veld met zwartebessenstruiken. En er staan rijen en rijen appelbomen: daar liep ik die dag, langs de opgestapelde houten kratten die kennelijk klaarstonden om het fruit naar de markt te brengen, door een veld met hoog gras dat bezaaid was met de restanten van verschillende schermbloemigen die nu wegteerden in fragiele stervormen. De zon komt hier pas in de middag en er lag zware dauw, die de spinnenwebben liet oplichten en de appels glanzen.

Ik was op weg naar een rij bijenkasten, zoals wel vaker de bestemming van mijn wandeling. De hele zomer had ik ervan genoten om naar hun gezoem te luisteren en het vlijtige tumult eromheen te bekijken. Maar die dag viel me een kleine verandering op. De bijenkast was in tweeën gedeeld door een vel krantenpapier, dat de bovenste helft van de onderste scheidde. De bijen zweefden eromheen alsof ze langs onzichtbare metaalkabels bewogen en maakten hoge geluiden in de strakke lijnen van hun vlucht. Andere groepeerden zich op het oppervlak, kropen over het papier, onderzochten het materiaal dat hun kast in tweeën spleet. Ze waren duidelijk nieuwsgierig. Ik was ook nieuwsgierig. Wat kon een vel krantenpapier voor een bijenkolonie doen?

Toen ik het op Twitter vroeg bleek iedereen het antwoord te kennen behalve ik. De imker was twee zwermen aan het samenvoegen om de sterkste bijen te redden uit een zwakke kolonie waarvan de koningin verslechterde, en die anders de winter misschien niet zouden overleven. Door de papieren muur kunnen deze bijen zich bij een andere koningin aansluiten, zonder dat de twee kolonies elkaar de tent uit vechten waardoor ze allebei beschadigd zouden raken. Het werkt als volgt: de imker zet een zwakker wordende kolonie boven op een sterk volk, met het papier ertussen. De bijen ruiken elkaar en beginnen aan het papier te kauwen, maar tegen de tijd dat ze de klus hebben geklaard, zullen de zwakke bijen de geur van hun nieuwe koningin hebben opgepikt en geen zin meer hebben in vechten. Op het moment dat de imker de bijenkast weer openmaakt, is er van de krant niets meer over, behalve de ring waar de twee kasten elkaar raken, en zullen de twee bijenzwermen in harmonie samenleven.

Maar wat me opviel was het commentaar van Al Warren, een man die zo geestdriftig is over bijen houden dat hij de plaatselijke lagere school heeft weten over te halen drie van zijn kasten te huisvesten. ‘Eigenlijk pas ik die krantenmethode bijna nooit toe,’ zegt hij. ‘Honingbijen hebben behoorlijk feilloze methodes om de winter te overleven. Het zijn overwinteringsmachines.’

‘Als je je in bijen verdiept,’ vertelt hij me later, ‘moet je ze niet als individuen beschouwen. Een bijenkolonie is een enkelvoudig superorganisme. Ze functioneren als een geheel.’ En hoewel je bijen vooral associeert met zomerse dieren die op warme dagen rond bloemen zwermen, zijn ze het hele jaar door juist met het tegenovergestelde bezig. De bedrijvigheden van een bij zijn er voornamelijk op gericht dat de kolonie de winter overleeft. De ene helft van het jaar bereiden ze zich erop voor en de andere helft van het jaar overleven ze daadwerkelijk. Elk jaar komen ze rond april uit hun bijenkorf tevoorschijn en begint alles weer van voren af aan.

Een honingbijenkolonie bestaat uit ongeveer dertigduizend tot veertigduizend bijen: een koningin, een paar honderd darren en tienduizenden werksters, plus nog veel meer eitjes en larven. De enige rol van de dar is om met de nog jonge koningin te paren, waarna ze miljoenen zaadcelen in haar achterlijf opslaat en deze gebruikt om per dag tweeduizend bevruchte eitjes neer te leggen. De werksters voeren volgens een bepaalde taakverdeling alle andere werkzaamheden uit, al naar gelang hun levensstadium. Als ze jong zijn, houden ze de bijenkorf schoon, daarna klimmen ze op naar een reeks andere taken, afhankelijk van hun ervaring en vervangbaarheid. Ze passen op larven en jonge bijtjes en zorgen voor de koningin, ze stoppen nectar in de cellen, maken was om nieuwe honingraten te produceren, maken honing en bewaken de nestingang. De laatste taak in hun leven is foerageren, want dat is de taak met het meeste risico en oudere bijen zijn vervangbaar. Waarschijnlijk zien we alleen hoogbejaarde bijen op hun gevaarlijke missie om nectar te verzamelen voor koolhydraten en stuifmeel voor proteïne. Al Warren zegt dat je aan de hevigheid van de steek van een bij kunt aflezen hoe oud hij is: de oudere bijen hebben veel krachtiger gif. Eigenlijk wel zo eerlijk, gezien de risico’s die ze lopen.

Bijen bereiken deze zorgvuldig uitgebalanceerde sociale orde doordat ze zich gedragen als cellen in een groter lichaam. ‘Jij en ik,’ zegt Al, ‘hebben een lichaam dat zichzelf reguleert. We hoeven niet eens na te denken over alle dingen die ons in leven houden: het gaat gewoon vanzelf. Een bijenvolk doet exact hetzelfde. Het houdt zichzelf in leven.’ De behoeften van de kolonie worden overgebracht door feromonen, trilling en aanraking, zodat elke afzonderlijke bij kan reageren op wat vereist is. Alles gaat automatisch, de machine onderhoudt zichzelf. En ze is nagenoeg failsafe.

Om voor de winter een koolhydratenbron op te slaan, produceren de bijen honing. Als ze de nectar simpelweg zouden opslaan, zou hij gaan gisten, dus produceren ze een enzym dat de nectar in honing omzet: de moleculen worden gesplitst, waardoor het grootste gedeelte van het water verdampt. Mocht een bij een honingraat met volle cellen aantreffen, dan zal zijn bolstaande buik de productie van was op gang brengen zodat hij onmiddellijk een nieuwe cel kan aanmaken. Niets in de bijenkorf wordt aan het toeval overgelaten. Als er bijvoorbeeld een met de broedzorg belaste werkbij doodgaat, zal de achtergebleven larve een feromoon afgeven waardoor elke volwassen bij een stadium teruggaat, zodat de zorgtaak nogmaals wordt uitgevoerd. We beschouwen bijen nogal eens als een voorbeeld van goed management, maar ze zijn efficiënter dan dat. ‘Als jij je in je vinger snijdt,’ zegt Al, ‘zal je lichaam automatisch de juiste cellen inzetten om hem te genezen. Zo werkt het ook bij bijen.’

Al deze gigantische inspanningen – het gezamenlijk werk van een onbevattelijk aantal bijen – zijn gericht op de winter. Ze hebben een vindingrijke manier ontwikkeld om warm te blijven. De honingbij kan zijn vleugels van de vliegspieren ontkoppelen – zoiets als de auto in zijn vrij zetten – en daarna dusdanig trillen met die spieren dat ze warmte genereren. De bijen groeperen zich in het binnenste van de korf om de warmte vast te houden en deze koudbloedige dieren gedragen zich beurtelings als kleine radiatoren, waarbij ze soms wel 45˚ C bereiken, acht graden hoger dan de menselijke lichaamstemperatuur. Zelfs op de koudste dagen zal een bijenkorf in de binnenste kern een temperatuur behouden van 35˚ C. Zodra de ene bij uitgeput raakt, neemt de volgende het over. Het superorganisme wordt tot de lente in stand gehouden. Honing voorziet het hele proces van brandstof.

Er zijn nauwelijks sporen van bijen, als ik op deze barre maartse dag aan de achterkant van de kunstenaarsstudio’s door de boomgaarden loop. De appelbomen staan nog niet in bloei en er schijnt een waterig zonnetje door de takken. Vandaag is het een zware dag. Het is de laatste dag waarop ik kan genieten van mijn piepkleine werkkamertje met zijn gele muren en het besef van een doel. Opgeslokt door mijn leven thuis kan ik niet langer de schijn ophouden dat ik geld verdien, dus is de huur niet meer te verantwoorden. Tijdens mijn wandeling langs de grenzen van het gebied dat ik op het punt sta kwijt te raken, vraag ik me af of dit de winter is waar ik alsnog aan zal bezwijken.

Maar dan kom ik bij de bijenkasten en stel ik me voor hoe het leven daarbinnen zich roert. Zachtjes en onopvallend gaat de overwinteringsmachine in de versnelling.

Op het moment dat ik over bijen schrijf, dwing ik mezelf voorzichtig te zijn. Het is maar al te verleidelijk ze als miniatuuranalogieën voor de mens te zien, het frisse, nijvere bijenvolkje dat ons allen tot voorbeeld dient. Ik hoef maar even de verkeerde woorden te gebruiken en ik verval in de afgezaagde uitdrukking: bijen zijn een toonbeeld van noeste arbeid. Wees meer zoals de bij.

Inderdaad suggereert de sociobioloog E.O. Wilson dat we meer overeenkomen met bijen dan de meeste mensen zouden durven denken. Hij zegt dat bijen en mieren uitstekende voorbeelden zijn van eusociale wezens – dat wil zeggen wezens die gezamenlijk hun werk organiseren voor het algemeen belang van hun gemeenschap – en hij wijst erop dat de mens overeenkomstig sociaal gedrag vertoont, alleen anders georganiseerd. Mensen kunnen het bij hun dagelijkse bezigheden dan misschien wel zonder de hulp van de geurvlaggen van feromonen stellen of de fysieke adaptaties die we bij sociale insecten aantreffen, maar Wilson gelooft dat de neiging tot samenwerking er bij ons net zo ingebakken zit.

Het idee van de menselijke machine – een natuurlijke orde der dingen die net zo vlekkeloos zou kunnen functioneren als een bijenkorf als we de slechte gewoontes die we ons in de loop van ons aardse bestaan hebben aangewend maar konden afleren – heeft lange tijd vele linkse én rechtse denkers aangesproken. Of je nou een voorkeur hebt voor militaire efficiëntie, waar geen plek is voor het klagende, behoeftige individu, of voor horizontale, egalitaire structuren, waarin iedereen krijgt wat hij nodig heeft in plaats van waar hij naar verlangt – de metafoor van de bijenkorf sluit erop aan. In Bee Wise bijvoorbeeld stelde de socialistische auteur Charlotte Perkins Gilman zich een geïdealiseerde, door vrouwen gestichte maatschappij voor, waarin huishoudelijk werk op grote schaal werd gedeeld en de vrouwen met hun consciëntieuze nijverheid voortreffelijk leer, katoen en fruit produceerden. Maar als het op het huwelijk aankwam, moesten hun mannen ‘bewijzen dat ze gezond waren, want hoogwaardig moederschap bleef het ideaal van de groep’. Aan de andere kant van het politieke spectrum had je Benito Mussolini, die er een handje van had de bijenkorf van stal te halen om het ideale functioneren van het fascisme te beschrijven. ‘Iedereen zegt altijd dat het fascistische doel een “bijenkorfstaat” was, maar daarmee worden de bijen schromelijk tekortgedaan,’ schreef George Orwell in The Road to Wigan Pier. ‘Een door wezels geregeerde konijnenwereld zou meer in de buurt komen.’

Voordat we de lofzang gaan afsteken over de machinale efficiëntie van de utopische menselijke bijenkorf, moeten we het ware bestaan van de bijen niet vergeten. Het zijn beslist verbazingwekkende dieren. Hun adaptatie – wat heet, hun pure wil om te overleven – is wonderbaarlijk. Maar hun bestaan zit ook vol grimmige efficiëntie. Hartje winter is het gebied rond mijn geliefde bijenkast vergeven van de bijenlijkjes: bijen die niet langer nuttig waren, die het makkelijkst vervangbaar waren en op de gevaarlijke missie van foerageren werden gestuurd; darren die aan het eind van hun bruikbare leven uit de kast werden gegooid.Laten we er niet naar streven om net als mieren en bijen te worden. We kunnen genoeg bewondering koesteren voor hun ingewikkelde overlevingsmechanismen zonder onszelf er volledig naar te modelleren. De mens is niet eusociaal, wij zijn geen naamloze eenheden in een superorganisme of louter cellen die vervangbaar zijn wanneer we het eind van ons bruikbare leven hebben bereikt. Het leven van een sociabel insect zegt niets over dat van ons. Onze levens nemen verschillende vormen aan. Wij functioneren niet – zoals de honingbij – in een lineaire aaneenschakeling van vaststaande taken. Wij zijn niet steevast van nut voor de wereld in het algemeen. We hebben het over de complexiteit van de bijenkorf, maar de menselijke maatschappij is oneindig veel complexer, vol keuzes en vergissingen, gelukzalige tijden en periodes van opperste wanhoop. Sommigen van ons dragen uitvoerig bij aan het geheel en zijn sterk zichtbaar. Anderen maken deel uit van het tikkende levensmechanisme, de toegevoegde rijkdom van kleine gebaren. Alles is van belang. Alles weeft het bredere web dat ons verbindt.

In de eusociale bijenkorf zou een periode van winteren van een enkeling betekenen dat je in belang van het grotere geheel verstoten wordt. En het zou best kunnen dat een bij er inderdaad niet meer bovenop komt. Maar een mens wel. We kunnen jaren doormaken waarin we onszelf als een negatieve aanwezigheid in de wereld ervaren, maar we zijn bij machte om weer op te krabbelen. We kunnen niet alleen hersteld naar onze familie en vrienden terugkeren, we zijn ook in staat om meer mee te brengen dan voorheen: toegenomen wijsheid, meer compassie, een groter vermogen om diep in onze wortels te reiken in de wetenschap dat we water zullen vinden.Van nut zijn is een nutteloos concept als het op de mens aankomt. Volgens mij is het nooit de bedoeling geweest dat we over anderen zouden denken in termen van nut voor ons. We hebben een huisdier omdat we het leuk vinden om ervoor te zorgen; we geven vrijwillig extra geld uit aan eten, scheppen ontlasting in plastic zakjes en noemen dat ontspannend. We richten onze genegenheid op de meest hulpeloze burgers denkbaar – baby’s en kinderen – om redenen die niets te maken hebben met hun toekomstig nut. We bloeien op bij zorgzaamheid, bij het uitdelen van liefde. De meest hulpeloze leden van onze families en gemeenschappen houden ons bij elkaar. Zo gedijen we. Onze winters zijn sociale lijm.

De mieren hebben het niet helemaal bij het verkeerde eind. De winter brengt wel degelijk bepaald werk met zich mee en we kunnen voorbereidingen treffen voor toekomstige periodes van schaarste waar we ons nu nog niet helemaal een beeld van kunnen vormen. Er is ons natuurlijk met de paplepel ingegoten dat we moeten sparen, hoewel het heden ten dage voor velen van ons niet mogelijk is nog zuiniger te leven. En zelfs al zetten we wel geld apart, dan nog heeft het soms weinig nut. Mijn eigen spaargeld werd in één klap vrij genadeloos weggevaagd toen ik tijdens mijn zwangerschap zo misselijk was dat ik niet kon werken en de kinderopvang daarna meer kostte dan ik verdiende. Veel is er niet voor nodig: de normale dingen, meer niet. De marges van het volwassen leven zijn smal.

Maar het werk van de winter is ingewikkelder dan eenvoudig wat voorraden aanleggen, die vervolgens opraken totdat de zomer ze weer aanvult. Opgesloten in onze bijenkasten, met gure winden die het dak geselen, worden we opgeroepen tot de huisvlijt van het donkere seizoen, waarin er niets anders te doen valt dan met onze handen bezig blijven. De winter is een tijd voor de rustige vaardigheidskunsten, voor naai- en breiwerk, bakken en sudderen, klussen aan ons huis.

Als het hoogzomer is, willen we buiten zijn en dingen ondernemen; in de winter worden we binnengeroepen, waar we zorg dragen voor alles wat tijdens de zomermaanden is blijven liggen toen we het te druk hadden om ernaar om te kijken. In de winter reorganiseer ik mijn boekenplanken en lees ik alle boeken die ik het voorafgaande jaar heb aangeschaft en waarvan ik verzuimd heb ze daadwerkelijk te lezen. In die periode herlees ik ook geliefde boeken, puur om de vreugde van een hernieuwde kennismaking met oude vrienden. In de zomer wil ik grote, spetterende ideeën, en spannende flutboeken verslinden, luierend in een tuinstoel of zittend op een van de golfbrekers op het strand. In de winter wil ik denkbeelden die ik onder een plas lamplicht kan overpeinzen – traag, spiritueel lezen, een versterking van de ziel. De winter is een tijd voor bibliotheken, de gedempte stilte van boekenstapels en de geur van oude bladzijden en stof. In de winter kan ik urenlang in stilte zoeken naar een halfbegrepen denkbeeld of geschiedenisdetail. Je kunt toch nergens heen.

In de winter opent zich de tijd. ‘Er is niets te doen,’ zoals Sylvia Plath schrijft in haar gedicht ‘Wintering’. ‘Dit is een benarde tijd voor de bijen,’ zegt ze, nadat ze hun honing heeft verzameld. Die zit inmiddels in potten – zes op een rij – op een plank in haar kelder, terwijl de bijen zich voeden met zoete stroop. In de ledigheid die de winter met zich meebrengt kruipt Plath in haar kelder, ontdekt de achtergebleven spullen van voormalige huurders in het gele licht van haar zaklamp en vindt enkel ‘Zwarte stupiditeit. Verval./ Bezetenheid.’ Ze vraagt zich af of het bijenvolk zal overleven.

Zoals elke middelbare scholiere weet overleefde Plath haar winter niet. Ze schreef ‘Wintering’ tegen het einde van haar leven en in haar eigen versie van Ariel – haar iconische verzameling van liefde en wanhoop, hoop en verlies – sloot het gedicht de bundel af; voor publicatie redigeerde haar man, Ted Hughes, na haar zelfmoord de dichtbundel opnieuw. ‘Wintering’ neemt ons mee naar het hart van de duisternis, naar het hart van het huis, ‘daar balde het zwart zich samen als een vleermuis’. Ik vind het altijd een moeilijk leesbaar gedicht. De zinsbouw is in mijn ogen nergens helemaal juist. De zinnen kronkelen door de regels en strofen, de betekenis is vaag. Er zit een soort wanorde in, alsof we midden in een denkproces zijn neergezet waarvan we het begin en het eind niet kunnen waarnemen.

In Hughes’ versie van Ariel komen we aan het eind van de bundel bij twee gedichten die na de dood van hun auteur extra resoneren: ‘Edge’ – dat bij momenten lijkt te dwepen met een reeds voltrokken overlijden – en daarna, als een slotfrase, ‘Words’ – dat een soort stilte in de dood vindt. Deze versie is echter een herdenking, gerangschikt als een grafkrans na het overlijden van de auteur, misschien met de bedoeling nog enige betekenis te geven aan die grote tragedie; misschien, zoals feministische commentatoren vaak hebben betoogd, tekent het Hughes’ wens om Plaths narratief ook na haar dood te beheersen. Plath zelf heeft dit einde in elk geval nooit beoogd. In haar eigen indeling eindigde Ariel met een in alle opzichten lichtere teneur, de terugkeer van leven: ‘De bijen vliegen uit. Ze proeven de lente.’

In de krochten van haar eigen winter zoekt Plath kennelijk naar een manier om via werk te overleven, vrouwenwerk, het soort werk dat rustige uren binnenshuis inhoudt. ‘De winter is voor vrouwen,’ zegt ze in ‘Wintering’. Misschien is de winter een tijd waarin de vrouwelijke kunsten tot hun recht komen, maar ze heeft het denk ik ook over de schrale tijden die vrouwen in staat zijn te overleven. Had ze maar meer omhanden gehad: meer honing om te produceren, meer bijen om te voeden.

Plaths intuïtieve neiging om in de winter met je handen bezig te blijven bleek juist. Bij een recente studie is ontdekt dat breien even bloeddrukverlagend kan werken als yoga en dat het door de aanmaak van serotonine ook kan helpen bij chronische pijnklachten. De liefdadigheidsinstelling Knit for Peace heeft onderzoek gedaan naar de positieve effecten van handwerk op de gezondheid en een scala aan voordelen ontdekt: het draagt bij aan geestelijke scherpte, het helpt rokers te stoppen met roken en het vermindert gevoelens van eenzaamheid en isolement bij ouderen. Vervolgens stelden ze dat knutselspullen op recept verkrijgbaar moeten zijn.

Aangezien ik me door mijn eigen winter heen worstel, heb ik geen ruimte voor het grote werk waarnaar ik snak, maar ik kan op zijn minst met mijn handen bezig blijven. Voor het eerst in jaren pak ik mijn breinaalden en ik brei een aantal knullige mutsen die hun gevallen steken dragen als eretekens. Het voelt goed om iets te maken, ook al voelt mijn bijdrage aan de wereld heel klein. Het laat me denken dat ik deels een machine ben, soepel en efficiënt. En terwijl ik brei droom ik ervan dat ik op een dag mijn eigen bijenkast heb, dat ik potten honing fabriceer en midden in de winter door mijn tuin naar de bijenkast loop om daarbinnen het gezoem van leven te voelen.

stem: Katherine May
titel: Overleving
perspectief: Katherine May belicht de zegeningen van de winter.
bron: Winteren (2020) – De kracht van rust en afzondering in moeilijke tijden
mopw: meerstemmige encyclopedie