Avec une pomme, je veux étonner Paris!

Uitweg en ‘inweg’? Ontvangst- en uitzendapparatuur? Iemand met een heel indringende blik, een appelkenner par excellence, kan ons dit vast verduidelijken. Ook nu leggen we de poëzie even opzij. Terwijl ik het voortdurend over poëzie heb, natuurlijk. Daar hoef je echt niet expliciet aan te denken, dat komt vanzelf. We gaan wel een stap verder: het uitzicht wordt geschilderd, het wordt – hou je vast! – kunst. Daarom reizen we naar Aix-en-Provence, waar we de vader van alle modernen, Paul Cézanne (1839–1906), aantreffen.

Aan de Franse kunstenaar Émile Bernard (1868–1941), een haast dertig jaar jongere collega-schilder en auteur, schreef hij in 1904 dat je moet trachten alles wat je voor je hebt, binnen te dringen.‘Aan de charme, de bekoring, de betovering van de wereld is de dichter verplicht. Wanneer we de wereld niet langer benoemen, verstoot hij ons en blijven we achter met lege retoriek, met een holle klank,’ drukt Adam Zagajewski ons op het hart. Dit is wat Paul Cézanne ook steeds ter harte heeft genomen. Eindeloos lang kon hij observeren voor er eindelijk een paar penseelstreken op het doek werden gezet. Of het nu om een portret, een landschap of een stilleven ging, hij keek met een enorme intensiteit. Indringend, letterlijk binnendringend in de dingen.

Maar kijk eens wat een belangrijk verschil met foto’s hier geopenbaard wordt: foto’s geven een fractie van een seconde weer terwijl de kunstenaar een beeld maakt dat de culminatie is van dagenlang, wekenlang en bij vele kunstenaars zelfs jarenlang kijken naar één onderwerp. 

Niet moeilijk te begrijpen dat dit om een welwillende respons van de toeschouwer vraagt. Een kijkgerichtheid. Een kleurgevoeligheid. Een ongedwongen concentratie. Inzoomen.‘In het gewone leven besteden we niet veel tijd aan het kijken naar dingen of naar de natuur of naar mensen, maar schrijvers doen dat wel. Het is wat literatuur gemeen heeft met schilderen, tekenen en fotograferen. Je zou kunnen zeggen, in navolging van John Berger, dat burgers slechts zien, terwijl kunstenaars kijken,’ aldus de criticus James Wood (1965). Hij wijst er ook op dat ‘gebrek aan scherpte een bij uitstek kleinburgerlijke, westerse aandoening is’. Hij noemt dat heel accuraat onze ‘dommelende aandacht’. ‘Door afstompende gewoonten, of luiheid, een gebrek aan nieuwsgierigheid, door haast, kijken we niet meer naar dingen.’ ‘Kijken is redden, terugwinnen; het leven redden van zichzelf.’ 

Paul Cézanne is nukkig, achterdochtig, koppig, een eenzaat. En een schoolvriend van een van Frankrijks bekendste schrijvers toen, Émile Zola (1840– 1902). Zijn passie is schilderen. Ook in zijn kunst wil hij uitdrukkelijk geen uiterlijk vertoon, geen academische opsmuk, geen vooroordelen, geen nabootsing. Hij zoekt een leven lang naar het innerlijk vertoon en tracht dat compromisloos uit te drukken. Niet voor niets wordt zijn kunst als een mijlpaal gezien, en wordt hij beschouwd als de grondlegger van de nieuwe stromingen die de tweede helft van de 19de en de hele 20ste eeuw zullen beheersen. Postimpressionisme en prekubisme, getekend Paul Cézanne.

In de winter van 1869 leert hij in Parijs Hortense Fiquet kennen. Zij is 19, model en heeft een paar grote donkere ogen. Paul Cézanne is twaalf jaar ouder en verliefd. Zij gaan samenwonen en krijgen een zoon Paul. De portretten die hij van haar schilderde, zijn fenomenaal. In het appartement van de al even excentrieke als rijke Amerikaanse schrijfster Gertrude Stein (1874–1946) aan de Rue de Fleurus was Pablo Picasso een en al bewondering toen hij er een portret van Mevrouw Cézanne zag. ‘Cézanne is mijn eerste en enige leermeester,’ beweerde hij later.

Hij was ‘une sorte de bon dieu de la peinture,’ voegt Henri Matisse, een andere regelmatige gast in Steins appartement, daaraan toe. Dit neemt niet weg dat toen de galerijhouder Ambroise Vollard in 1895 in Parijs een overzichtstentoonstelling van het werk van Cézanne organiseerde, het 20 jaar geleden was dat zijn werk voor het laatst was getoond. Typisch voor de eenzaat Paul Cézanne: hij reisde voor de uitzonderlijke gelegenheid niet eens naar Parijs.

Die vastbeslotenheid om verder en dieper te kijken, ‘le regard de Cézanne’, om iets nieuws te ontwaren en te schilderen, of al schilderend nieuwe dingen te zien, is merkwaardig. ‘Hij was de eerste schilder die zijn twee ogen gebruikte,’ vertelt de Britse kunstenaar David Hockney (1937) aan Will Gompertz(1964), de auteur van het bekende Dat kan mijn kleine zusje ook. Al schrijvend worden ongelofelijk veel nieuwe dingen naar boven gehaald, die ik hier, gulzig als ik ben, bij elkaar wil brengen.James Wood verwijst in een artikel in The Guardian van 30 september 2006, 100 jaar na Cézannes overlijden, naar de door Cézanne bewonderde Gustave Flaubert (1821–1880). Deze wees zijn collega Guy de Maupassant (1850–1893) erop dat er ‘in alles een deel is dat onontdekt is gebleven, daar we gewend zijn onze ogen te gebruiken helemaal naar de herinnering aan wat mensen vóór ons hebben gedacht van datgene waar we naar kijken. Zelfs het kleinste ding heeft iets in zich dat nog onbekend is gebleven. Dat moeten we zien te vinden.’ We zijn dus geneigd te kijken zoals de mensen voor ons dat al deden. En zo dacht Paul Cézanne er ongetwijfeld ook over. Hij zei tegen Émile Bernard dat we ‘de natuur moeten zien zoals niemand haar ooit eerder heeft gezien’. A new look, un nouveau regard, een nieuw paar ogen. Ook dit is iets dat de dienst uitmaakt wanneer we het over poëzie hebben: anders kijken, nauwlettend observeren, door andere ogen kijken.

Bij Cézanne ging het niet alleen om wat we zien, maar tevens om hoe we zien. Hij keek vanuit meer dan één hoek naar zijn onderwerp. Hij redeneerde: de mensen hebben twee ogen, en het linker ziet niet precies wat het rechter ziet (hoewel onze hersenen de twee beelden laten versmelten). ‘Toen Cézanne onderzocht hoe hij appels kon schilderen, ging het hem niet zozeer om de natuur van vruchten als wel over de natuur van het kijken.’

De scherpe geest van Samuel Taylor Coleridge komt ons opnieuw te hulp wanneer hij William Wordsworths poëtische bedoeling eenvoudig en doeltreffend verwoordt: ‘Meneer Wordsworth anderzijds, stelde zich tot doel de bekoring van het nieuwe aan alledaagse dingen te geven, en een gevoel analoog met het bovennatuurlijke aan te wakkeren, door de aandacht van de geest te laten ontwaken uit de lethargie van de gewoonte, en het te richten naar de lieflijkheid en het wonderlijke van de wereld voor ons.’ Je merkt hoe gelijklopend dit klinkt met het voorgaande. ‘The lethargy of custom’, de onverschilligheid van de gewoonte, wil het kunstwerk doorbreken. Waar vaak wordt gedacht dat een gedicht dient om je in slaap te wiegen, merken we nu dat het eerder dient om je wakker te schudden.

De schilderijen van Cézanne helpen daarbij. Alle kunst helpt daarbij: ‘De schilder is zich ervan bewust dat alleen de kunstenaar in staat is de wijze waarop de mens naar de dingen kijkt, te vernieuwen,’ schrijft dichter en kunstcriticus, de Italiaan Alfonso Gatto (1909–1976), in een inleiding bij een boek over Cézanne . En dat Cézanne ‘de impressie duurzaam wilde maken’. En hij verwijst naar de Italiaanse dichter Giacomo Leopardi (1798–1837), die ooit zei dat hij niet ‘nog verder tot de dingen kon binnendringen’. Indringen en uitdrukken, indruk en uitdruk, de wisselwerking houdt nooit op.De essentie wilde hij vatten, het landschap, niet zomaar een landschap, de berg, niet zomaar een berg, ‘la montagne de Cézanne’, de Mont Sainte-Victoire, die hij talloze malen schilderde, liefst om zes uur in de namiddag, ‘l’heure de Cézanne’. Altijd opnieuw en altijd op zoek naar het wezenlijke. En daarbij hoort ongetwijfeld ‘le doute de Cézanne’. Zijn schilderen is een vertwijfelde zoektocht,’ schrijft Paul Depondt, die ook verwijst naar een vaak herhaald citaat van Paul Cézanne: ‘Het belangrijkste is het modelleren.’ 

Je zou het zelfs geen modelleren mogen noemen, maar moduleren.

modelleren: 1 boetseren, vormen; 2 in het klein voorstellen, syn. navormen moduleren: 1 met gepaste stembuiging spreken, voordragen; 2 (muz.) van de ene toonsoort in de andere (doen) overgaan; 3 de draaggolven van radiozenders op zodanige wijze in sterkte veranderen, dat ze de overbrengers worden van een in karakter onvervormde geluidsenergie; …

Overgaan naar een andere toonsoort, een nieuwe toonaard ontwikkelen – als dit al niet een mooie definitie van kunst is! – die op haar beurt een nieuwe zienswijze genereert. Vormen, tonen, intensifiëren. En daar staan heel veel mensen raar van te kijken. Een stap in de goede richting zetten we wanneer we toegeeflijk constateren: ‘Zo had ik het nog niet bekeken.’ Ook Cézanne werd gek verklaard door zij die nooit twijfelen. Tijdens haar Nobelprijsrede De dichter en de wereld windt Wisława Szymborska er geen doekjes om. Zij verheft de – cézanneske – twijfel tot het hoogste goed, tot de motor van elke vooruitgang. Ik geef meteen een langer fragment omdat het zo duidelijk en primordiaal is, en een mooie verklaring biedt voor waar het allemaal vandaan en op aankomt:‘Wat inspiratie ook moge zijn, ze ontstaat uit een ononderbroken: “Ik weet het niet.” (…) Beulen, dictators, fanatici en demagogen houden ook van hun job, maar…zij “weten”. Zij weten, en wat ze ook weten, het is genoeg voor eens en voor altijd. Ze willen hier verder niets aan toevoegen, want dat zou de kracht van hun argumenten ondermijnen. Elke kennis die niet naar nieuwe vragen leidt, sterft gauw uit: die kan de gepaste temperatuur die nodig is om het leven te ondersteunen niet onderhouden.

Daarom schat ik die kleine zin “Ik weet het niet” zo hoog in. Hij is klein, maar vliegt met krachtige vleugels. Hij verruimt onze levens om de ruimtes binnen onszelf te bevatten, evenals die ruimtes erbuiten waarin onze aarde rondhangt. (…) 

Dichters die authentiek zijn, moeten “Ik weet het niet” blijven herhalen. Elk gedicht is een poging om op deze verklaring een antwoord te geven. Maar zodra het eindpunt wordt gezet, begint de dichter te aarzelen, realiseert hij zich dat dit antwoord slechts tijdelijk is en absoluut ontoereikend. Dus blijven de dichters almaar proberen, en vroeg of laat worden hun opeenvolgende resultaten van hun eigen ontevredenheid met een grote paperclip bij elkaar gevoegd en door literaire historici hun oeuvre genoemd.

De wereld – wat we er ook van mogen denken als de angst ons bekruipt, stilstaand bij de weidsheid ervan en bij onze eigen onmacht, of wanneer we verbitterd zijn om zijn onverschilligheid voor het individuele lijden van mensen, van dieren, en misschien zelfs van planten… wat we ook mogen denken van dit onmetelijk theater waarvoor we tickets hebben gereserveerd, maar tickets die een belachelijk korte tijdspanne garanderen, gebonden aan die twee willekeurige data; of wat we verder nog allemaal mogen denken van deze wereld – hij is verbazingwekkend.

“Verbazingwekkend” echter is een benaming die een logische valstrik inhoudt. We zijn verbaasd, uiteindelijk, door dingen die afwijken van een welgekende en wereldwijd aanvaarde norm, van iets duidelijks waar we mee vertrouwd zijn geraakt. Het punt is nu dat die duidelijke wereld er niet is. Onze verbazing bestaat in se en is niet gebaseerd op de vergelijking met iets anders. Toegegeven, in dagelijkse gesprekken waarin we niet elk woord afwegen, gebruiken we allen termen als “de gewone wereld”, “het gewone leven”, “de normale gang van zaken”… 

Maar in de taal van de poëzie, waar elk woord wordt gewogen, is er niets gewoon of normaal. Niet één steen en niet één wolk erboven. Niet één dag en niet één nacht die daarop volgt. En boven alles, niet één bestaan, niet één bestaan van wie dan ook in deze wereld. Het ziet ernaar uit dat dichters altijd een hoop te doen zullen hebben.’

Niet één Hortense, niet één Mont Sainte-Victoire, niet één appel. Paul Cézanne zoekt niet het mooiste hoekje, het effect, de romantische zucht. Hij dicht. Dit inzicht keert keer op keer terug in de kunstgeschiedenis. Een initiële verwondering is essentieel, de durf, een ontwapenende moed, de paradox.

En als je eenmaal begint te vertellen, duiken andere belangrijke zaken op die je graag nog wilt toevoegen. Op de Salon d’Automne van 1907 worden 56 werken van Paul Cézanne tentoongesteld. Naast de schilders Pablo Picasso, Georges Braque en Henri Matisse is ook Guillaume Apollinaire (1880–1918) een geïnteresseerd bezoeker. Een andere dichter is hier niet weg te denken, ik bedoel Rainer Maria Rilke, die maar niet ophoudt over deze schilder in de brieven aan zijn vrouw, de kunstenares Clara Westhoff (1878–1954); die niet ophouden kan over de kleuren, de nieuwe zienswijze, letterlijk ook. Nog nooit is zo duidelijk zichtbaar gemaakt, meent Rilke, ‘hoezeer het schilderen zich tussen de kleuren voltrekt, hoe men ze volstrekt alleen moet laten, opdat ze zich over en weer tegen elkaar uitspreken’. ‘Er bestaat een logica van de kleuren. Een schilder moet haar volgen, en niet de logica van de hersenen,’ beweert Paul Cézanne zelf. Of met andere woorden: Rilke heeft heel goed gekeken. Hij begrijpt de kleuren.

Er bestaat een logica van de woorden. Een dichter moet haar volgen, en niet louter de logica van de hersenen.

De Britse schilder Lucian Freud (1922–2011), kleinzoon van, juist ja, en zowat de beroemdste schilder van portretten en naakten van de 20ste eeuw, bevestigt Cézannes indruk: ‘Volgens mij is de verf de persoon. Mijn werk gaat niet over personen, maar over verf.’ Typisch Lucian Freud: zowel vlees als verf vertoont littekens. De schilder toont de mens in al zijn onvolmaaktheid. Hij legt een ziel bloot. (Daar heb je haar weer!) Met alle rimpels, spataders, penissen, hangbuiken en ontstoken teennagels van dien. ‘Ik schilder wat ik zie, niet wat jullie willen dat ik zie,’ luidde zijn commentaar daarover, en op die manier loopt hij in het voetspoor van de Provençaalse meester en ook wel in dat van zijn grootvader, die een scherp oog had voor de littekens.

Cézannes schilderijen zijn een keerpunt voor Rilke. Hij herkent de ‘eigenaardigheid’ ervan omdat ze tegemoet komt aan een eigen ziens- of schrijfwijze die hij in die periode ontwikkelt. Het intens objectief observeren was meer een kwestie van afleren, het schilderij en/of het gedicht losmaken van de vertrouwde inhoud of de vertrouwde context en/of de vertrouwde weergave. De Franse filosoof Maurice Merleau-Ponty (1908–1961), een waarnemer bij uitstek, had het ‘over Cézannes objectieve blik die alle esthetische vooroordelen had afgeworpen’. Denk opnieuw aan wat Flaubert tegen Guy de Montpassant had gezegd. De beeldhouwer Auguste Rodin (1840–1917) – Rilke fungeerde een tijdje als diens secretaris en schreef een monografie over hem – had hem eerder al op dit spoor gebracht. Rilke schrijft nu wat hij zijn Dinggedichte noemt en die verschijnen in zijn Neue Gedichte. De dialoog tussen dichter en ding tot een feit maken, wil hij. Hij gaat uit van een plant, een dier… De panter is misschien wel het beroemdste van deze reeks. Het is meer dan een impressie. Het ding wordt kunstding. Geniet mee:

De panter

In de Jardin des Plantes, Parijs

Zijn blik is van het langsgaan van de stangen zo moe geworden dat hij niets meer ziet. Wel duizend stangen houden hem gevangen en meer dan duizend stangen is er niet.

De zachtheid van zijn lenig sterke pas
die steeds de allerkleinste kring beschrijft, is als een dans van kracht rondom een as waarin een machtig willen is verstijfd.

Niet vaak meer trekt het scherm voor zijn pupillen
geluidloos op – , 

Dan gaat een beeld erdoor naar binnen, glijdt door het van spanning stillelijf naar zijn hart – en gaat teloor.

Cézanne moest helemaal opnieuw beginnen, beweert Rilke. En dat wil hij evenzeer. ‘Het moet mogelijk zijn om je hand op de aarde te plaatsen zoals de eerste mens dat ooit had gedaan.’ En dan heb je natuurlijk ook nog ‘les pommes de Cézanne’.

Verbazingwekkend, vindt Paul Cézanne, en hij trapt uiteraard niet in de ‘logische val’ waarvoor Wisława Szymborska eerder waarschuwde.

In april 1914 verhuist Leo Stein (1872–1947), Gertrudes broer, naar Settignano in de buurt van Firenze. De beroemde kunstverzameling wordt om die reden tussen broer en zus verdeeld. In een brief hierover schrijft Leo: ‘De appels van Cézanne zijn uitzonderlijk belangrijk voor mij, niets kan in de plaats ervan worden gesteld’ en hij biedt zijn zuster aan dat zij in ruil de Picasso’s mag houden.

Toen de Britse econoom John Maynard Keynes (1883–1946) in 1918 een klein stilleven van Cézanne mee naar Engeland nam, het eerste van vier die hij in zijn bezit zou krijgen, was de bekende kunsthistoricus Roger Fry (1866–1934) er helemaal weg van. Virginia Woolf schreef: ‘Roger raakte bijna buiten zinnen… Nooit eerder zag ik hem zo in vervoering. Stel je ons maar eens voor wellustig starend naar die appels.’ De Bloomsburyleden die zich verlustigden in Cézannes appels waren naast Keanes en Fry, Virginia Woolf zelf en haar zuster, de kunstschilder Vanessa Bell (1879–1961), een tijdje Roger Fry’s minnares. Roger Fry is iemand die je graag had willen ontmoeten. Zijn neus en zijn enthousiasme voor kunst worden door een paar Britse literaire dames geprezen, die op hun beurt mijn bewondering krijgen, Virginia Woolf, die zijn biografie schreef en, recenter, Jeanette Winterson: ‘Wat Fry’s boeken vooral zo bijzonder maakt is zijn enthousiasme. Hij vindt niets saai. Zijn houding van levens- en kunstgenieter zonder valse schaamte ten opzichte van emoties en schoonheid was precies wat ik nodig had.’ Zo verwoordt Virginia Woolf het in haar dagboek, een paar dagen na zijn begrafenis, Roger Fry stierf kort na een val in zijn huis in Londen: ‘Waardig en oprecht en groot – large sweet soul – hij bezat iets wijs en muzikaals – en verder zijn vrolijkheid en het feit dat hij zo afwisselend, vrijgevig en nieuwsgierig heeft geleefd. Daar moest ik aan denken.’  Elke mens zou op zoek moeten gaan naar zijn Roger Fry: een nieuwsgierige open geest die je enthousiast maakt voor kunst of voor poëzie in het bijzonder. Elke mens zou een flinke dosis ‘Roger Fry’ in zich moeten hebben, zou dit vervolgens moeten leren te ontwikkelen en overdragen aan de jeugd.

‘Avec une pomme, je veux étonner Paris!’ zei Paul Cézanne tegen de kunstcriticus Gustave Geffroy (1855–1926). Van Émile Zola kreeg hij ooit als dank een mand appels cadeau, nadat Paul Cézanne zijn iets jongere schoolkameraad te hulp was gesneld bij een pest- en vechtpartij op de speelplaats van het Collège Bourbon in Aix.‘

Cézanne ontwrichtte het perspectief in zijn stillevens. Cézanne brengt het stilleven tot een zodanige hoogte dat de dingen die van buiten dood lijken, van binnen levend worden. Hij behandelt ze als mensen omdat hij in alles het innerlijke leven ziet.’ Het zijn stillevens die op wonderlijke wijze genoeg aan zichzelf hebben, aldus Rilke. Zijn appels verschijnen eerst in de jaren zeventig van de 19de eeuw, maar daarna keren ze steeds vaker terug, steeds anders gekleurd, netjes naast elkaar of door elkaar, van geel tot vuurrood. Honderden appels heeft hij geschilderd. Hij bekeek ze van boven, van onder, van links, van rechts, vanbinnen, vanbuiten… Hij keek en keek en dacht daarbij, en door die specifieke creatieve kronkel ontstond het schilderij. Kijken is een hele gebeurtenis. Paul Cézanne vernieuwde het kijken.

De tafel waarop de appels liggen – liggen?! – raakt haar evenwicht kwijt, de appels rollen naar de kijker toe, recht in zijn oogappel. Meer nog, hij wil er geen mooie, reeds gekende voorstelling van maken, dat is, vindt hij, denk ik, te goedkoop, dat verkoopt te gemakkelijk. Ik denk dat hij van vooraf aan wilde beginnen. Net of nog niemand ooit een appel had geschilderd, net of niemand ooit een appel had gezien.

Hij is de schilder van de essentie. Wisława Szymborska is de dichter van de essentie. Zij leert in de gewoonste dingen het ongewone te zien en ook omgekeerd. ‘De realiteit,’ zegt zij in haar toespraak naar aanleiding van de Goetheprijs in 1991, ‘is de meest fantastische bron van inspiratie en bovendien de onuitputtelijkste. Het podium van de realiteit is zeer ruim en alle rekwisieten zijn interessant: van een korreltje zand of een druppel regen tot kosmische fenomenen.’

Philip Larkin zegt het zo: ‘I don’t want to transcend the commonplace, I love the commonplace, I lead a very commonplace life. Everyday things are lovely to me.’ (Ik wil het alledaagse niet verheffen, ik houd van het alledaagse, ik leid een heel alledaags leven. Alledaagse dingen zijn heerlijk voor mij.)

James Wood ziet vandaag een wereld ‘waarin dingen, voorwerpen en ervaringen op zinloosheid afkuieren. In zo’n wereld is het de taak van de schrijver het avontuur te redden uit de klauwen van deze langzame verdwijning: om betekenis, kleur en leven terug te geven aan de gewoonste zaken.’  

Daarom onder meer is kunst onberekenbaar. Niet uit te tellen, met geen enkel precisieinstrument te bepalen hoeveel ze wel waard is. Wisława Szymborska is om meer dan één reden een zus van Paul Cézanne.Opnieuw roep ik Samuel Taylor Coleridge ten tonele. Zijn klare kijk is zo niet onontbeerlijk, dan toch erg verrijkend. Hij doet bij de lezer (de kijker, de luisteraar) een beroep op ‘that willing suspension of disbelief for the moment, which constitutes poetic faith’. ‘Die bereidwillige, welbewuste opschorting van ongeloof’. Een bede om je grenzen te verleggen, om het fantastische toe te laten, te aanvaarden, om andere premissen dan die van de louter realistische tekening of beschrijving aan te nemen.

‘Daardoor ontstaat poëtisch geloof.’ En dat verzet bergen. Dat vervangt het hert met groot gewei, de openhartige zigeunerin, de kerktoren bij zonsondergang… met alle respect voor herten, geweien, bossen, zigeunerinnen, kerktorens en zonsondergangen overigens.

Dat hangt Cézannes appels aan je muur, Picasso’s Les demoiselles d’Avignon, Pollocks Autumn Rhythm: Number 30 of Mondriaans Victory Boogie Woogie. Maar evenzeer leert het je beter kijken naar Rembrandt en Rubens, naar Breughel en Bosch, naar David en Da Vinci.

Kunst is een blikopener.

stem: ivo van strijtem
perspectief: cézanne, appelkenner par excellence, vader van alle modernen, ‘avec une pomme je veux étonner Paris!’
titel: vader van alle modernen
bron: iedereen dichter, poëzie is een manier van leven (2018)
mopw: meerstemmige encyclopedie / appel