Koningsdag op NDSM.

Er staat één vermelding over koningsdag in Onze verslaggever in de leegte, Dimitri Verhulsts ongedateerde dagboeken. Hij reist naar Boxtel om een hond op te halen. De vorige is gestorven, hij schrijft plastisch de laatste dag, de vliegen, het slijm, de hitte, het met in een deken gewikkeld hondenlijk naar het crematorium, in de file, ramen open, niet eens zijn eigen hond. Ik waan me in The Last Viking. Absurd. Geestig. Overdreven. Op de televisie bij de mensen die de hond verkopen, een man op een ziekbed in het midden van de kamer, een hossende oranje menigte. Buiten een omgeving waar lama’s het grasveld kort houden. Hond mee naar een nieuw huis, waar hopelijk de dingen beklijven, toekomst, liefde, al is dat onzeker. Hij snuift en drinkt en lijdt pijn en schrijft en verdwijnt.

Het boek ligt uitgestald temidden van zo’n dertig andere boeken, de eigenaar heeft een behoorlijke plek geclaimd, tussen oranje mensen, hij zit rustig met een aantal vrienden onderuitgezakt, ze drinken wat. Zijn koopwaar oogt als het geordend grid van een streamingsdienst waar rijen en kolommen filmaffiches geduldig wachten op een klik. Veel hardcovers, die ik zelden koop – stijf als een plank en vaak groot. Ik zet de boeken in gedachten op mijn lijst en raap ze in één veeg op. Andrew Keen. Internet is niet het antwoord. Biografie Paul Verhoeven (wiens Jezus-boek ik lees). Gonzo. Dimitri Verhulst. De man wil twee euro per boek, ik biedt vijf voor de stapel. We komen uit op 1.50. Als ik een uur had gewacht had hij ze waarschijnlijk allemaal achtergelaten om te gaan feesten in de stad. Ik ben tevreden.

Het is een dag later. In de alweer bijtende zon lees ik het dagboek in één ruk uit. Dit zijn de betere dagen. Stil liggen, de hernia weglezen door iemand te lezen die last heeft van een hernia. Ik lees dagboeken om me ervan te vergewissen: ziejewel, mijn bestaan is uiterst leefbaar. De schrijver schrijft, ik herken iets, lach hardop en denk bij het overige wat ik denk als ik bijvoorbeeld langs een kledingrek loop, gelukkig hoef ik dat niet allemaal aan te trekken.

Dimitri Verhulst vindt het genre dagboek weinig verheffend. Hij ziet zichzelf niet graag genoeg om zich ervoor te interesseren. 

Hij schrijft over een Amsterdam dat ik niet ken: het NDSM (waarvandaan ik op een steenworp woon en waar ik dagelijks kom) waar hij snuift en danst (Sexyland).

Hij schrijft een mooi stuk over het moment waarop hij zich een goede vader voelt. Trots op het feit dat hij haar op een parkeerplaats illegaal in een auto laat rijden, richting vrijheid en onafhankelijkheid. Schuldig bij de gedachte dat ze ooit verongelukt en hij daar een aandeel in heeft door haar een rijbewijs aan te praten.

Hij schrijft een mooi stuk over zijn ontmoeting met Györgi Konrád, die zegt dat Verhulst te gehaast is. Verderop in het boek gaat Verhulst eindelijk zitten aan zijn roman en maant zich tot traagheid.

‘Sinds ik vorige week weer oubollig met pen en papier aan een roman begonnen ben, is er opnieuw een soort van rust over mij gekomen. Niet bezig te zijn met een roman stoort mij, ik moet dan verantwoording afleggen aan het bestaan en bezit die niet. Maar ik zal mijn tijd nemen. Niemand wacht op mij, het blijft belangrijk dat te beseffen.’

Hij schrijft een tirade over een Zweedse meubelboer die in hun catalogi geordende rommelloze nietbestaande levens verkopen.

Twintig jaar geleden stond Helaasheid der dingen op mijn leeslijst. Ik herinner me de samseveria op de kaft, een plant die in ‘diepe miserie’ taai en hardnekkig staat te zijn op vensterbanken in troosteloze omgevingen. Daarna las ik Godverdomse dagen, Verhulsts geschiedenis van de mensheid. Als ik zoek op recensies vindt men het saai. Ik weet nog dat ik jaloers was op het idee.

Aan het einde van het dagboek (p. 151 t/m 154) de duisternis waarover hij niet schrijft, nooit een boek zal schrijven, de zwaarte die hem kapot maakte en dreef tot de zelfvernietiging die je de pagina’s daarvoor hebt gelezen.

[Te lezen: L’Astragale, Albertine Sarrazin, Machten der duisternis, Anthony Burgess]