A rose is a rose is a rose. Na het lezen van de derde druk van De graanrepubliek (1999) begrijp ik de weerstand van graanboeren uit Groningen tegen varkensboeren uit Brabant (‘de roze invasie’). Ook Gerbrand Bakker in Boven is het stil moet weinig hebben van Brabantse boeren, het zijn geen echte boeren maar varkenshouders, ze hebben niks met het land (AI corrigeert me: ‘In zijn debuutroman Boven is het stil uit 2006 is Gerbrand niet direct negatief over Brabant, maar is het personage Riet de weduwe van een Brabantse varkensboer. De veeteeltvorm staat in het boek symbool voor een schaamteloos, grootschalig, kil, industrieel en onpersoonlijk boerenbestaan, in contrast met het keuterboerenbestaan in het waterrijke polderlandschap tussen Purmerend en Monnickendam, waar hoofdpersoon Helmer woont.’)
Ik fietste in de vorige eeuw tussen maïsvelden naar school, werd ingehaald door een varkensboer in zijn Mercedes — maar lees dat ondanks de maïs en de suikerbieten die ik overal zag liggen goedkoop veevoeder uit Thailand (tapioca) werd (wordt?) geïmporteerd. Circulaire veeteelt betekent zoiets als: circulair om de aarde, een logistieke operatie. Groningen (kleiboeren) verarmde, Brabant (zandboeren) werd rijk. Machines drukten (drukken) de aarde plat. Landarbeiders moesten keien kloppen en sloten en kanalen graven. Niks blijft. Akkerbouw was niet langer rendabel, men zat met overschotten, men kreeg subsidie om land braak te leggen, prijzen werden kunstmatig hoog gehouden, natuur werd belangrijker dan agricultuur. De ontwikkelingen in De graanrepubliek kneuzen mijn brein. Ik neem mijn toevlucht nogmaals tot AI: ‘In 1990 was een grote opstand van Nederlandse akkerbouwers die met tractoren naar Den Haag trokken om te protesteren tegen lagere inkomens, milieuwetgeving en het landbouwbeleid.’
Uit het laatste hoofdstuk in De graanrepubliek (we zijn beland halverwegen de jaren negentig): ‘Hoeveel Oldambster graanboeren zouden er nog zijn? Koert denkt: een paar dozijn, meer niet. Er schiet me een uitspraak van Boelo Tijdens te binnen: ‘Telkens wanneer er een van ons kapot gaat, komt er een Brabander voor in de plaats.’ Omdat de Zuid-Nederlandse zandgronden niet uitgestrekt genoeg waren om de geproduceerde mest over uit te smeren, werd het spul in duwboten naar Zeeland en Groningen getransporteerd, natuurlijk met subsidies. En in het kielzog van de mestschuiten waren ook de mestboeren gekomen. ‘Cowboys’ heten ze, joyeuze types die met geld zwaaien om de Groninger akkerbouwers uit te kopen. In de buurt van Drieborg passeren we een buitenproportionele veehal, hoeve Knorrenburg, met op de staldeuren een lachend zwijn. ‘De roze invasie,’ zegt Koert. De gemeente wordt overstelpt door bouwaanvragen voor ligboxstallen van golfplaat, grote voedersilo’s – die als een infuus boven de stallen uitsteken – en ronde mestbassins met een puntdak. Een handvol van die circustenten ontsiert inmiddels de horizon in de buitenlanden bij Klein Ulsda. De resterende Oldambster akkerbouwers zijn hobby- of deeltijdboer. Ze doen er wat anders naast sinds er met tarwe geen droog brood meer te verdienen valt. De een is chauffeur op de belbus, de ander kweekt paling in de schuur. Er zijn er ook die struisvogels houden, of kangoeroes. In het Oldambt lopen die beesten in de wei — de landbouw is er postmodern.’
Het is dertig jaar later. Ik zou willen dat Frank Westerman een vervolg schrijft.
[epiloog: wikipedia vertelt dat er herdrukken zijn van De graanrepubliek met epilogen (eentje in 2009, de 24e druk, ‘de blauwe revolutie’, en eentje in 2024, de 37e druk, over de actuele boerenprotesten en stikstofcrisis)]