De krant van 9 juli bezorgt me hoofdpijn, terwijl ik toch rustig zeelucht adem, de dag stoïcijns doorbreng, er is voedsel, water, zon. Waarom schrijft Frits Abrahams, drie dagen na de dood van Frida Vogels, een lichte voorkeur (‘met een gering verschil’) te hebben voor het oeuvre van J.J. (Han) Voskuil (‘laconieker en humoristischer’)? Bij Voskuil schiet hij geregeld in de lach, bij Vogel domineert de loden ernst. Is Frida Vogels al onder de grond, waarom nu over Voskuil hebben? Op de kaft van het eerste deel van haar dagboek (1954-1957) heeft Frits Abrahams Frida Vogels lief. Ik heb haar lief. Hij prijst haar onbarmhartige openheid. Wat is gebeurd?

Het dagboek begint na een val van een paard, ze kan veertien dagen niet rijden, ze is in Parijs, alleen, en ‘tot niets nut’. Ze voelt zich gevangen, in een hoek gedreven. En toch… en toch is daar Emily Dickinson — waarin ze voor het eerst sinds lang weer eens kijkt en waaruit ze citeert.

Het bevalt me dat Frida Vogels haar dagboek met Emily Dickinson begint. Een gedicht is een glazen schuifpui. De prairie lonkt.

Leven is kracht,

bestaan is op zichzelf,

ook zonder enig handelen

al Almacht genoeg.

Leven en willen —

dat is zo goed als God!

Wat kan ons nog te wachten staan

als dit Eindigheid is

Er staat meteen ook al iets grappigs op bladzijde vier (een tante over de dood van een oom: ‘Het was een ongeluk. Zelfmoord komt in onze familie niet voor.’)

Waarom begin ik in haar dagboek? Omdat ze schrijver is: ik ben benieuwd wat ze van de dagen maakt, het geschrevene.

Daarnaast ben ik benieuwd wie ze leest, zodat ik ze na haar kan lezen.

Bonus: op blz 171 schrijft Frida Vogels dat ze een essay over Emily Dickinson schreef.

[Ik houd van lood, van ernst, van precisie, van alchemie: niets over de doden tenzij op een gepaste manier.]