Er bestaat een tumor in de hersenen waarvan mensen lachaanvallen krijgen (hypothalamus hamartoom), schrijft Bert Keizer in Onverklaarbaar bewoond. Soms ben ik er van overtuigd dat die in me woekert, slaat de verwondering over alles — de ‘subtiele aarzeling’ — om in onbedaarlijk lachen: een hoorbaar niet te stuiten blozen om eigen en plaatsvervangend onvermogen. Jezus, Napoleon, Tesla, Jeanne d’Arc, Caroline Myss, Hitler, God, de Azteken, de Grieken, het koraalrif, het web, wikipedia, de buurvrouw — al die bewustzijnen en het absurde daarvan, bewustzijn bezitten, alles wat je ervaart ervaren, en weinig tot geen controle kunnen uitoefenen. We hebben weinig aan het besef dat we tekortschieten (het doet ertoe), aan het besef dat we niet tekortschieten (het doet er niet toe), dat het niet erg is dat we tekortschieten, dat het erg is. ‘Wees steen met de stenen’ schrijft Hella S. Haasse. (On)bewustzijn laat zich moeilijk bedotten en beteugelen. Als een kostbare droogbloem zit een vergeeld kranteknipsel in de essaybundel. Ingrid de Waal staat op de titelpagina. Zij knipte het bericht over Haasse meer dan twintig jaar geleden uit en stak het tussen de bladzijden. Dat fossiel, die fossiele brandstof voor de geest, vrolijkt me op: we zijn lezer tussen de lezers, er komt een lezer mee met het boek, wat ik al niet aantrof (foto’s, kaarten, vliegtickets — mensen vlogen nog — dollarbiljetten, liefdesbrieven, postzegels, krantenknipsels — over de auteur, het boek, recensies). Ik beschouw ze als gift, gebruik ze als boekenlegger. Uiteindelijk sta je alleen, zegt Hella S. Haasse. Je-staat-er-alleen-voor. In het bezit van een bewustzijn dat zich nooit verdoven laat, in het besef van sterven en eenzaam herboren woorden. Op een rustige dag lach ik mild als boeddha, niet hysterisch niet-te-stuiten.