Tegen de muur van het grachtenpand met zwarte luiken, brede witte kozijnen, tralies voor de ramen, een stenen trap met vier treden en een kleine ballustrade om die trap, hangt naast een stenen plaquette met uitgehouwen vergulde letters ‘A. Grütter Strijkstokken’ een smal wit boekenkastje, amper 9 boeken breed. Elke vrijdag botst mijn voorwiel zachtjes tegen stoep en gevel. Ik leun voorover. Door de trap kan ik niet langs het huis rijden en in het voorbijgaan drie boeken grissen, noodgedwongen bestudeer ik het boekenkastje zoals een poppenhuis in het Rijksmuseum, fietsstuur prikt in mijn borst, ik kan de ruggen niet goed lezen, ik kan beter afstappen. Ik sta er elke vrijdagochtend, vandaag lacht iemand naar me die de trap betreedt, een kalende man maar toch niet A. Grütter, hij belt aan. Langzaam onthult een huis zijn bewoner – goede boeken! Brieven (1963-1969) van Jan Hanlo – en ik stel me voor dat het huis mits ik vaak genoeg terugkeer enkele geheimen prijsgeeft die verder reiken dan de boeken. Waarom doet iemand Jan Hanlo weg? Is hij stervend? Of, indien een ander het boek neerzette, waarom nam hij het niet mee naar binnen als hij ‘s avonds met de boodschappen de vier treden op sjokte? Maar ik heb geen geduld. Het web is behulpzaam, we kijken door muren en achter deuren. De binnenkant van het huis is meticulous. Ik ontdek dat de man stokken bouwt, de stok is het verlengstuk van de vioolspeler (de viool de geliefde), de stok maakt de klank, de ziel komt van rechts, alles vertaalt zich door de stok. Men heeft oog voor de viool, maar voor de stok? Ik kijk anders naar het huis. Dit had ik niet vermoed. Andreas Grütter schreef een boek over wat het betekent om stokken te maken. Hij maakte een film terwijl hij dat doet, Hout Zweet en Haren. Online vind ik foto’s van een brandschone werkplaats (het hout blijkt giftig). Mijn verwarring behelst het boekenkastje: open en bloot, vocht en wind krijgen vrij spel. ‘Water is onmisbaar bij de fabricage van papier, maar vormt voor boeken een bedreiging, groter dan brand.’ Het papier valt onder mijn ogen uit elkaar. Ik loop naast mijn rijwiel, fiets klinkt als iets uit een andere tijd.

[Oudeschans. Een schans is een aarden wal en als zodanig is de Oudeschans aangelegd omstreeks 1516 ter verdediging tegen de Geldersen. Het begrip schans is hier reeds lang verloren gegaan, maar water en kade hebben de naam behouden. De toevoeging ‘Oude’ zal gegeven zijn, toen in de volgende eeuw om de vergrote stad een nieuwe schans werd aangelegd.]