De komedie begint met ons eenvoudigste gebaar. Al onze gebaren gaan met een onvermijdelijke onbeholpenheid gepaard. Wanneer ik mijn hand uitsteek om een stoel naar mij toe te halen, dan kreuk ik de mouw van mijn jasje, bekras ik de vloer, laat ik de as van mijn sigaret vallen. Door te doen wat ik heb willen doen, heb ik ontelbare dingen gedaan die ik niet had willen doen. De daad is niet zuiver geweest; ik heb sporen achtergelaten. Wanneer ik deze sporen uitwis, laat ik er weer andere achter. Als Sherlock Holmes zijn scherpzinnigheid op deze onontkoombare lompheid van al mijn initiatieven richt, kan de komedie een tragische wending nemen. Als de onhandigheid van de handeling zich tegen het beoogde doel keert, zitten we midden in de tragedie. Om noodlottige voorspellingen te verijdelen, zal Laios precies datgene ondernemen wat noodzakelijk is om ze in vervulling te doen gaan. Door sukses te hebben, werkt Oidipous aan zijn ongeluk. Evenals het wild dat over de besneeuwde vlakte recht voor zich uit het lawaai van de jagers ontvlucht en zo juist de sporen achterlaat die zijn ondergang zullen bewerken —Emmanuel Levinas (voorwoord bij Een sneeuw, Willem Jan Otten)
[de wendingen in het schrijven, de ideeën, door te doen wat ik heb willen doen, heb ik ontelbare dingen gedaan die ik niet had willen doen, de krassen die je maakt, de onbedoelde gevolgen van elke handeling, de onontkoombare lompheid. Ik zit liefst stil op een stoel en ontvlucht de jagers, recht voor me uit, richting einde boek.]