Roerloos is gevaarlijk, behalve voor een reiger. De reiger is het gelukte experiment van evolutie met roerloosheid. Net als de Galápagoszeeleguaan. Die heeft zo weinig natuurlijke vijanden dat hij de hele dag op dezelfde plek kan zitten. Hij doet niets, heeft niks nodig, zit nergens over in. Krijgt hij honger, dan waggelt hij naar zee, laat zich van de lavarotsen vallen, zwemt een stukje, neemt een diepe teug adem (hij is een landdier), duikt naar de bodem om algen naar binnen te schrokken, al is schrokken niet echt wat gebeurt, hij graast onder water, hij is een onderwatergrasmaaier, kan een onvoorstelbare tien minuten onder water blijven tot de kou van het water hem de spierkracht beneemt, komt terug aan land en gaat gemoedelijk weer in de zon liggen, weer voor zich uitstarend, nog steeds nergens over inzittend, warm wordend. Op de hete lavarotsen kookt het wier in zijn binnenste, waarna hij het kan verteren. Speciale klieren helpen hem van overtollig zout af te komen. Als hij op temperatuur gekomen is, kan hij weer onder water. Is er een mislukt roerloos experiment? Ja, de blauwvoetgent, de rotspelikaan, de blauwe boobie. Het kwam niet in hem op dat de mens een gevaarlijk roofdier is, in staat tot vervelende dingen. Bleef gewoon zitten. In roerloosheid is de mens niet goed. Zijn brein is te groot, te onrustig. Ik kan een boek lezen (= stilzitten) zolang ik het niet bewust doe. Elke bladzijde sta ik op en loop naar de koelkast. Evolutie heeft de kant gekozen van het grote brein, schrijft Kurt Vonnegut in Galápagos (1985). Het grote brein lijkt te hebben gewonnen. Dankzij het grote brein kon de mens een reuzensprong maken, andere domineren. Maar dat grote brein is bron van grote ellende. Een groot brein kan – omdat het zo groot is – er makkelijk tegenstrijdige opvattingen op na houden. Denkt ene moment dit, volgende dat. Kan een oorlog beginnen, zichzelf de opdracht geven van een brug of flat te springen, vertellen dat het onontkoombaar, belangrijk, fantastisch en juist is om voor een ideaal te sterven. Alle grote crisissen en mondiale rampen in de twintigste en eenentwintigste eeuw zijn aan grote menselijke breinen ontsproten. Het grote brein gaat op cruise naar de Galápagoseilanden, trapt gecamoufleerde nesten van zeeleguanen stuk, steelt eieren van rotspelikanen, tilt jonge pelsrobjes op alsof het babies zijn waarna de moeder het verstoot en het jong verhongert omdat het na aanraking met een mens in een synthetisch windjack niet meer hetzelfde ruikt. Sommige vogels hebben de luxe van het vliegen opgegeven.

De vleugelloze aalscholver heeft het vliegen verleerd, wegens het ontbreken van predatoren. Zijn vleugels zijn weggeëvolueerd, maar niet zijn romantische aard. Kijk hoe hij liefdevol stukjes zeewier cadeau doet aan een soortgenoot.

Van nature zijn pelikanen groepsdieren. Ze strijken in een groep van tien neer op het water en vormen een halve cirkel. Langzaam zwemmend drijven ze een school vis voor zich uit naar een ondiep gedeelte. Dan spreiden ze tegelijk hun vleugels en steken hun kop onder water om de vissen op te slokken.

Het grote brein bedriegt zichzelf. Het denkt dat alles losloopt, het is immers slimmer dan de rest. Geluk is een luxe, een gevolg, eerst moet je zien te overleven. Heb altijd een pot augurken in de koelkast! Soms raast dagen achtereen een poolstorm over een kolonie keizerspinguïns, die en masse dreigen dood te vriezen. Maar ze hebben er iets op gevonden. De pinguïns mogen om beurten in het midden van de cirkel staan, lekker warm, omgeven door duizenden soortgenoten. De buitenste rij schuifelt hoopvol, sneeuw en ijs op de kraag, wurmt zich naar binnen. Ik voel sympathie voor gedrag dat op ellebogenwerk lijkt, zeker nu ik weet dat ze tussen hun poten een ei warm en heel proberen te houden.

[bij het lezen van Kurt Vonnegut]