De brieven van Jan Hanlo, de kaas in de koelkast en het brood in een zak trekken me uit bed. Ik sta op, zit van 2.00 tot 3.00 in de keuken, lees en eet: ‘Ik vind de verzorging van vissen maar griezelig. Alles is omgekeerd, ze stikken in lucht (en trouwens ook in water als dat geen zuurstof genoeg bevat.) Maar je moet maar eens aan de verkoper vragen hoe het precies moet. Ik zou niet graag een aquariumvisje zijn, dat is zeker. Toch zijn we allemaal Gods aquariumvisjes (?) Ik had ook dergelijke beesten toen ik jong was. Ze gingen geregeld dood door slechte verzorging, dat moet ik bekennen. Toch ken ik hier een jongen die al maanden een visje in een grote jampot heeft. Ik hoop dat Jeroen een ruimer huis heeft gekregen (dan een jampot).’ Licht lig ik even later onder het witte dekbed.