Wij scheppen klei uit een rivier en bakken stenen alsof we broodjes bakken, en stapelen die op elkaar: omhulsels met kijkgaten naar de hemel.

Ik kijk sinds kort – sinds puisterige uitstulpingen aan de zijkant van een enorme flat zijn gehangen (glazenwasserbakken die dienst doen als balkonnetjes) naar allerlei fietsen die er gestald zijn. Mensen zitten er niet.

Zien is yang, horen is yin.

Ik bezoek wikipedia.

De naam dakkapel is toepasselijk, in een kapel vereer je iets.

Er zijn dakkapellen met ronde kozijnen en krulvormige oren.

Er is een Zuid- en Oost-Duits type dakkapel, een zogenaamde Fledermausgaube — een geschubd ooglid dat loom oplicht.

Een bijzonder moeilijk te vervaardigen type dakkapel dat vooral in gebouwen van vóór 1900 voorkomt. De hoogte en de breedte van zo’n uitbouw verhouden zich als 1:3. Wie zo’n dakkapel bezat toonde dat hij of zij timmerlieden had kunnen bekostigen die hun vak uitmuntend beheersten.

De kop van een slapende draak die een schat bewaart. Veel hemel komt niet binnen, een miniem geutje daglicht.

Ik lees over een monnik die negen jaar onafgebroken naar een rotswand staart. Na zeven jaar trekt hij uit frustratie beide oogleden uit: hij was in slaap gevallen.

Tegen een muur aankijken is een kans om te mediteren.

Geklop en geboor van 7 tot 19 uur horen.

De schaduw in de keuken in het hart verwelkomen.

[bij het lezen van Ogen Open, J.J. Beljon, Ursula K. Le Guin en wikipedia]