De geest is buitensporig, maakt geen onderscheid, denkt alles, zegt Sylvia Boorstin. Een man komt binnen zonder kloppen, draagt twee gieters, groen, in overeenstemming met de tropische planten op de kamer en zijn kleding. Hij gaat te werk als een kapper: plukt aan de bladeren, inspecteert de punten, pakt een schaar en knipt ze rücksichtslos af. Hij doet geen moeite om de bladvorm te behouden, het is alsof hij een stel groene tongen afknipt, de planten het zwijgen oplegt. De planten hebben bruine plekken. Te weinig licht? ‘Teveel licht.’ En, ‘ouderdom, doe je niks aan, net als bij mensen’. Hij wijst naar een bak. Planten mixen in een bak is niet handig. ‘Eigenlijk zou ik die hele tak moeten verwijderen, maar mensen willen volle bakken.’ ‘Je zou eens in de natuur moeten kijken, daar zie je kale takken en bovenin één blaadje. Binnen willen de mensen dat niet’. Hij vertelt over de siernetel, Colleus Blumei, die heeft hij zelf thuis. Bij hem bloeide die in drie kleuren, bij de drie stekjes die hij weggaf in drie andere. Wonderbaarlijk. Ik aai een blad, voel de stompe rand waar hij knipte. Gaan deze ooit bloeien? Hij giet water bij de bruine korrels. ‘Dat wil je helemaal niet, als deze planten gaan bloeien zijn ze ziek of gaan ze dood. Noodbloei, laatste ultieme poging op nakomelingen.’ De man is onverstoorbaar, een volle tien minuten aan het woord, vertelt alsof hij een gieter is en ik een plant ben. Richt je aandacht op waar je voor kiest, zegt Sylvia Boorstin.