Zodra de winter kwam en zich plotseling met stromende regens aankondigde, openbaarden zich even plotseling bij Chopin alle symptomen van longtuberculose. Ik weet niet wat ik had moeten beginnen als Maurice nog door een aanval van reumatiek was getroffen. Wij hadden geen enkel geneesmiddel dat ons vertrouwen gaf en de meest eenvoudige geneesmiddelen waren bijna niet te krijgen. Zelfs de suiker was vaak van zo’n slechte kwaliteit dat die je ziek maakte.
Goddank herkreeg Maurice, die met zijn zusje van de ochtend tot de avond regen en wind trotseerde, een volmaakte gezondheid. Hij noch ik, noch Solange duchtten de overstroomde wegen en stortbuien. Wij hadden in een verlaten en gedeeltelijk bouwvallig klooster een gezonde en schilderachtige huisvesting gevonden. ‘s Morgens gaf ik de kinderen les; de rest van de dag, terwijl ik werkte, holden zij rond. ‘s Avonds liepen wij samen in de door de maan verlichte kloostergangen of zaten wij te lezen in onze cellen. Ons leven in die romantische eenzaamheid zou heel aangenaam geweest zijn, ondanks de barbaarsheid van het land en de diefachtigheid van de inwoners, indien de trieste aanblik van het lijden van onze huisgenoot en sommige dagen van zekere angst voor zijn leven ons niet het weldadige genoegen van de reis hadden ontnomen.
De arme, grote artiest was een moeilijke zieke. Wat ik, helaas niet voldoende, gevreesd had, gebeurde. Hij werd volkomen moedeloos. Hij verdroeg zijn lijden tamelijk moedig, maar hij kon de ongerustheid van zijn verbeelding niet overwinnen. Het klooster was voor hem vol van schrikbeelden en spoken, zelfs wanneer hij zich goed voelde. Hij zei dat niet; ik moest maar raden wat hem mankeerde. Eens, toen ik met mijn kinderen terugkwam van een nachtelijke zwerftocht door het bouwvallige klooster, trof ik hem, om tien uur ‘s avonds, aan voor zijn piano, bleek, met verwilderde ogen en met rechtopstaande haren. Hij had enkele ogenblikken nodig om ons te herkennen.
Daarop deed hij een poging om te lachen en speelde ons de prachtige passage voor die hij zojuist gecomponeerd had, of – beter gezegd – de vreselijke of hartverscheurende waandenkbeelden die hem buiten zijn weten in dat uur van eenzaamheid, droefheid en angst hadden overweldigd.
Het was in dergelijke stemmingen dat hij de mooiste van die korte stukjes componeerde die hij bescheiden ‘préludes’ noemde. Het zijn meesterwerken. Sommige zijn de vertolking van de gedachte aan visioenen van overleden monniken en de melodie van de rouwgezangen die hij meende te horen. Andere zijn droefgeestig en teder; zij kwamen bij hem op in uren van zonneschijn en gezondheid, bij het geluid van lachende kinderen onder het venster, bij de klank van verre gitaren, of bij het zingen van vogels in vochtig gebladerte of bij het zien van bleke, ontloken roosjes in de sneeuw.
Andere zijn van een troosteloos verdriet en breken u het hart, terwijl zij uw oor strelen.
Dan is er een heel bijzondere die hij componeerde op een avond waarop het naargeestig regende en die het gemoed ontzettend neerslachtig maakte.
Maurice en ik hadden hem die morgen, toen hij zich goed voelde, verlaten om in Palma wat levensmiddelen te kopen. Het was gaan regenen en de bergbeken waren buiten hun oevers getreden; wij hadden er zes uren over gedaan om drie mijlen af te leggen, toen wij terugkeerden uit Palma langs overstroomde wegen. Wij hadden onderweg het rijtuig moeten verlaten, omdat de koetsier niet verder wilde rijden. Het was middernacht toen wij aankwamen, zonder schoeisel, dwars door ongehoorde gevaren. Wij hadden ons gehaast met het oog op de ongerustheid van onze zieke. Hij was inderdaad heel ongerust, maar zijn angst was omgeslagen in een soort van gelaten wanhoop en hij speelde al huilend zijn bewonderenswaardige prélude.
Toen hij ons zag binnenkomen, rees hij op, terwijl hij een luide kreet slaakte; vervolgens zei hij met een verwilderde blik en op een vreemde toon: ‘Ah, ik wist het wel goed dat jullie dood waren!’ Nadat hij weer bij zijn positieven was gekomen en zag hoe wij er aan toe waren, werd hij ziek van het voorbije schouwspel van onze gevaren. Maar hij verklaarde vervolgens dat hij, terwijl hij op ons wachtte, het allemaal in een droom gezien had en, de droom niet meer scheiden kunnend van de werkelijkheid, weer kalm werd en als verdoofd piano spelend er van overtuigd was dat hij zelf dood was. Hij zag zich verdronken in een meer; zware, ijskoude waterdruppels vielen hem regelmatig op zijn borst en toen ik hem liet luisteren naar het geluid van die druppels water, die inderdaad regelmatig op het dak vielen, ontkende hij dat gehoord te hebben. Hij maakte zichzelf kwaad toen ik met woorden dat geluid nabootste. Hij protesteerde hevig – en hij had gelijk – tegen die voor het gehoor zo kinderachtige imitatie. Zijn genie was bezield van de mysterieuze harmonieën van de natuur die hij vertaalde door sublieme equivalenten in zijn muzikale gedachten en niet door een slaafs herhalen van buitengeluiden. Zijn compositie van die avond was overvol van regendruppels die resoneerden op de sonore dakpannen van de chartreuse, maar in zijn verbeelding en in zijn zang had hij ze vertaald in tranen die vanuit de hemel op zijn hart vielen.
In zijn jeugd had hij schitterende liederen en romances gecomponeerd, bekoorlijk van vrolijkheid. Sommige van zijn latere composities zijn nog als heldere bronnen waarin de klare zon zich spiegelt. Het lied van de leeuwerik hoog in de lucht en de golvende beweging van de statige zwaan op het roerloze watervlak zijn voor hem heldere flitsen van intense schoonheid. Langer en intenser dan hij zich verheugde over de geur van de oranjebloesem, de bevalligheid van de wijnranken of het Moorse melodietje van de zingende landarbeider, bedroefden hem de klaaglijke kreet van de hongerige gier op de rotsen van Majorca, het gierende gefluit van de noordenwind en de doodse verlatenheid van de met sneeuw bedekte taxus. Zo was zijn karakter onder alle omstandigheden: gevoelig voor de hartelijke vriendschap en voor de glimlach van het lot, voelde hij zich dagen, ja hele weken gekwetst door het wangedrag van een onverschillig iemand of door de kleine wederwaardigheden van het leven van alledag. Wat zijn wankele gezondheid betreft, hij verdroeg deze heldhaftig. Met zijn afschuw van ellende en zijn behoefte aan een geraffineerd welzijn kreeg hij na een paar dagen van ziek zijn als vanzelf een hekel aan Majorca. Hij was niet in staat om op reis te gaan; hij was er te zwak voor. En toen hij zich beter voelde, teisterde de storm de kust zodat de stoomboot drie weken lang niet kon uitvaren. Ons verblijf in het kartuizerklooster werd zodoende voor hem een marteling en voor mij een kwelling. Zacht en vrolijk van aard en charmant voor de buitenwereld, was Chopin in de huiselijke kring een wanhopige zieke. Geen sterveling was edeler, fijngevoeliger en onbaatzuchtiger; niemand was trouwer en aanhankelijker in de omgang; geen geest was zo tintelend van vrolijkheid en geen begripsvermogen in wat tot zijn geestelijk gebied behoorde, zo zeker en volledig. Maar van de andere kant, helaas, geen humeur was wispelturiger, somberder en prikkelbaarder; geen hartewens onmogelijker te vervullen. En dat was niet allemaal zijn fout; het was die van zijn kwaal. Zijn geest was hypergevoelig; het verkreukelde blad van een roos of de schaduw van een vlieg maakte hem van streek. Behalve ik en mijn kinderen stond alles onder de Spaanse hemel hem tegen. Hij stierf van ongeduld om te vertrekken omdat hij de ongemakken van ons verblijf aldaar meer dan beu was.
Ten slotte, tegen het einde van de winter, konden wij naar Barcelona vertrekken en vandaar over zee naar Marseille.

stem: george sand

titel: SUPPLEMENTEN

perspectief: In mei 1838 begon George Sand een liaison met de componist Chopin. Om aan het geroddel in de Parijse kringen te ontkomen weken zij uit naar Majorca, waar zij hun intrek namen in een voormalig kartuizerklooster. De conservatieve eilandbewoners zijn weinig ingenomen met de buiten echt levende, sigaren rokende en in mannenkleren gehulde George Sand en laten dat merken ook. De innerlijke spanningen nemen nog toe wanneer Chopin die in het koude bergklimaat niet kon wennen, ziek wordt, hetgeen het einde van zijn liefdesavontuur met de vurige schrijfster inhoudt. Het beroemdste en beruchtste reisverslag uit de Franse literatuur, ‘wat een genie, wat een hart!’ (Gustave Flaubert)

bron: een winter op Majorca (1992, uitgeverij De Arbeiderspers), uittreksel uit Histoire de ma vie van George Sand, Editions Stock, blz. 330 en volgende

mopw: meerstemmige encyclopedie

«