Twee duiven pikken in elkaars bekje, ze zitten op de tak van de kale ceder, nauwelijks takken, nauwelijks naalden, twee koolmeesjes (zwarte stropdas) fladderen van links naar rechts, twee eksters scheren van rechts naar links – kamikazeduikvlucht. Alle verschijnen in tweetallen, behalve de specht, die ik het mooist vind vandaag (de piek op de kerstboom), en de reiger die op de schoorsteen op het dak van het huis aan de rand van de straat staat, een gerafelde hoekvlag (‘eenzaam voor de dugout, ineengedoken in zijn verfomfaaide regenjas’). Acht groene halsbandparkieten hangen als tuimelende wasknijpers aan vier pindaslingers, opgehangen in de voortuin van twee meter diep, waar zes vogelvoerdispensers naast twee waterbakjes staan. Voor het raam lag iemand zes jaar geleden een jaar lang dag en nacht. Drie sierkippen drukken hun kontjes tegen een warme muur, bollen opgedoft siergras die een stoeptegel delen (één warmhoudplaatje). Ze stappen meestal op straat, scharrelen tussen auto’s. Waarom stoppen als je alles kan tellen? Blad. Gras. Katten. Plastic. Dood hout in de buurt. Minuten.