Het meest opvallende poëtische kenmerk [van de Daodejing – het klassieke boek van de weg en de kracht] is het volstrekt ontbreken van aanduidingen van tijd, plaats of persoon. De gedichten lijken op maximen.

Hemel en aarde zijn meedogenloos. Voor hen zijn de tienduizend dingen Niet meer dan strohonden.

Ook de wijze is meedogenloos. Voor hem zijn de honderd families Niet meer dan strohonden.

Hemel en aarde Werken als een blaasbalg Leeg, maar onuitputtelijk.

(Laozi 5)

Strofe een en twee hebben een identieke zinsbouw, zodat het poëtische effect ontstaat van parallellisme. De laatste strofe is gebouwd op een paradox: hemel en aarde zijn leeg, maar onuitputtelijk. Het gedicht heeft diepe gronden die tot nadenken stemmen: zijn hemel en aarde meedogenloos? Is de wijze meedogenloos? — Maarten van Buren (Van oude en nieuwe deugden)

[Maarten van Buren schrijft dat we weinig weten over Laozi (‘oude meester’). In 1993 werd een ‘Bamboe-Laozi’ aangetroffen in het graf van een ambtenaar, een leraar van een prins, die was begraven met zijn persoonlijke bibliotheek: een onvolledige versie van de Daodejing, een kopie van een kopie van een kopie, vastgelegd op eenenzeventig bamboestroken. Zo stel ik me de ideale bibliotheek voor: gekopieerde brokstukken in een graf. Het was een geluksmoment, op weg naar werk, dit boek in een kastje dat eruitzag als een kapelletje, temidden van andere gelijksoortige boeken. Iemand deed een prachtige bibliotheek weg. Iemand verhuist, is dood, volgt Marie Kondo. Een oneindige stroom. Ik overdenk de paradox.]