Aan Marek uit Warschau. We hanteren de regel dat alle gedichten over de lente automatisch worden gediskwalificeerd. Dit thema bestaat niet meer in de poëzie. In het leven bestaat dit natuurlijk nog steeds. Maar dat zijn dan ook twee verschillende dingen — Wisława Szymborska
De maan is op weg om de zon te verduisteren, een vreemde donkerte en temperatuurdaling staan me te wachten. De merel drinkt water uit het bakje, verdwijnt in de struik, ik zie hem niet anders doen dan gisteren: een zonnebad nemen met gespreide vleugels, rozijnen oppikken uit het dorre gras, het kopje kantelen met het ene oog op mij gericht. We kunnen de verduisterde zon vangen als we een selfie maken (‘heb je meteen een leuke foto’). Andere optie: de eclipsboom. Zoek een boom met blaadjes, de lichtvlekken zullen maantjes bevatten. De inkt van de krant ruikt naar gesmolten letters, benzine, de apotheek. Inmiddels heeft mijn lichaam vijfendertig dagen warmte geabsorbeerd — ik hoop dat dat me door de winter helpt. Ik warm elke dag mijn botten als een gloeiende kom melk in de magnetron (de kom wordt heet, van de melk hoop ik het). Mijn grijze sloffen met platgedrukte wollen voering geuren weeïg als ik mijn voeten eruithaal. Ik lees Brievenpost van Wisława Szymborska, dat verklaart mijn opgeruimd humeur, ze tikt me op de vingers, weg met bijvoeglijke naamwoorden, sentimentaliteit en metaforen. Bondig!