Van alledaagse en gewone dingen zie je het wonder nog nauwelijks, vermoeidheid en verveling liggen op de loer. Daarvoor wil ik waken, ik wil het wonder zien waarover Chesterton spreekt: gras en bomen groeien, en ‘daarnaast gebeuren enkele zeer merkwaardige dingen’. Er zijn schepsels die door de vrije buitenlucht zweven met behulp van waaiers met allerlei fantastische vormen. Er zijn gekke wezens die zich moeiteloos onder een zware lading water kunnen voortbewegen. Op het land zijn schepsels met vier poten, de gekste daarvan op twee benen. Een merel nadert. Hij blaast zich op, de veren staan breed. Hij pikt in het gras, vindt een rozijn. Ik probeer stil te zitten. Hij verdwijnt in de bolvormige struik. Als een diva maakt hij opnieuw zijn entree, gaat tegen de helling liggen, spreidt opnieuw zijn veren in de avondzon. De hovenier snoeit met een metershoge elektrische snoeischaar de struik tot enorme bol. Vergeleken bij levende wezens zijn evolutie, atomen, geometrische vormen, theorieën lange woorden.

[…]

Geen wijs man haalt het in zijn hoofd om de wereld ingewikkelder te maken met nog meer nieuwe lange woorden — G.K. Chesterton

[bij het lezen van De eeuwige mens]