Tegelijk met elke letter die ik typ verschijnen boven het toetsenbordje dat naar boven schuift en de helft van het kleine scherm bedekt, drie woorden, als snel verspringende bestemmingen boven drie rijbanen; bij elke volgende letter verschijnen drie nieuwe. Er zit heerlijk ongeduld in de machine. Ik klik nooit op een woord maar die neemt daar niet altijd genoegen mee. Soms maakt ze een keuze, plakt woorden in de tekst, maakt er van één een onbegrijpelijke twee, zonder dat ik tik, tap of typ. Daar ervaar ik de AI-apocalyps in het klein, als een minitornadootje dat letterpuin door de lucht laat vliegen. Daar ben ik de voorman die de productielijn stillegt en de boosdoener verwijdert, zwldeb laat ik suggesties staan. Tekst is een opgeruimde kamer, een aangeharkte tuin. Ik doe in tekst wat ik in werkelijkheid niet doe: rondslingerende kledingstukken opvouwen, pennen in bakjes, dozen platdrukken, eten in kasten, het vloermatje in de auto uitkloppen en stofzuigen. Schrijven disciplineert.