23 november 1978. ‘Waarom ga je alweer naar Duitsland?’ ‘Ik ben op zoek naar Albert Speer,’ zei ik. ‘Maar die woont in Heidelberg. Hij staat gewoon in de telefoongids. Albert Speer, arch. Je kunt hem zo opbellen,’ merkte een vriend snedig op en reikte me alvast de hoorn aan. ‘Ik ben op zoek naar een andere Speer,’ zei ik. Iemand die zich verborgen heeft in boeken, gebouwen, ruïnes en onuitgevoerde plannen. Die zoek ik.’ De vriend snoof. ‘Dat is journalistiek. Niets voor jou.’ ‘Wat is dat dan, volgens jou, een journalist?’ ‘Een journalist is iemand die achter de feiten probeert te komen.’ ‘En een schrijver,’ vroeg ik. ‘Dat is iemand die feiten verzint.’ ‘Niemand kan de feiten weergeven zoals zij zich werkelijk hebben afgespeeld. Niemand kan iets verzinnen dat totaal niets met feiten te maken heeft. Ik probeer erachter te komen hoe feiten tot stand komen. Wat mensen als jij later voor werkelijkheid verslijten, ‘geschiedenis’ noemen.’
[erachter proberen te komen hoe feiten tot stand komen]
Het is 8.38 uur. Het belooft een warme dag te worden. Ik lees Bernlefs Albert Speer, de ruïnebouwer terwijl ik ook het huis kan opruimen of rommelen. De vogels gaan bijna het vogelhuisje verlaten, het gekwinkelier vlak voor ze gevoerd worden klinkt inmiddels oorverdovend (een piepend scharnier, een rammelen aan onzichtbare kettingen), het vraagt alle aandacht mocht ik ze willen zien uitvliegen. Ik bezocht de plekken waarover Bernlef schrijft, de beelden zitten in mijn hoofd, ik wil weten hoe hij over die plekken schrijft, hoe zijn feiten tot stand komen, geeft hij zichzelf toestemming mooie zinnen te schrijven? Wie is Speer? Als Speer in zijn boeken, gebouwen en onuitgevoerde plannen zit, zit Bernlef dan evenzo in dit boek over Speer? Ik wil bovenal mijn hoofd opruimen, de geschiedenis een plek geven, lopend achter andermans beelden, verhalen en feiten aan. Persoonlijkheid: dat wat je er tot nu van hebt weten te maken.
16.30 uur. Foto’s, boeken, interviews. Bernlef komt niet dichterbij, probeert een toneelstuk te schrijven. De man is leegte. Steeds is er niets, enkel een architect die ruïnes wil bouwen, die rekening wil houden met hoe het te bouwene er straks, over duizend jaar, als de beschaving er niet meer is, als ruïne uit zal zien (‘ruïnewaarde-theorie’). Dat idee windt Hitler op. Germania, een mausoleum, dodenrijk, een woord in steen: Piramiden, Pantheon, Akropolis, maar dan 8x, 16x, 64x zo groot — ‘grote bouwwerken uit het verleden die hij in de vergrotende trap wilde herhalen, als ging het om het behalen van een vermelding in het Guiness Book of Records.’
Speer was vooral bezorgd dat Hitler, in zo’n immense hal, de Hal van het Volk, gereduceerd zou worden tot miniatuurpoppetje.
Speer komt in Bernlefs boek over als iemand die altijd aardig is, een technocraat.
Nergens mensen, de leegte is huiveringwekkend — de geest van Speer