Een monnik die vredig langs een steile rotswand loopt wordt besprongen door een tijger. De man rent voor zijn leven en ziet uiteindelijk, om niet levend verslonden te worden, geen andere uitweg dan van de rotsen te springen. Het lukt hem een liaan vast te grijpen die over de rand van het ravijn hangt. Daar bengelt hij dan, terwijl boven hem de tijger gromt en onder hem in de diepte een snelstromende rivier zich tussen grote rotsblokken een weg baant. Opeens ziet hij dat er een muis aan de liaan zit te knagen, maar hij ziet ook dat er in een spleet in de rots vlak voor zijn neus een plantje groeit met daaraan één heerlijke, rijpe aardbei. Hij plukt de aardbei, steekt hem in zijn mond en zegt: Tjonge, wat smaakt die lekker.

[bij het lezen van Sylvia Boorstein, In aandacht leven]