Koos van Zomeren werkt een stapel notities weg, sommige komen in We gaan zo, zijn Privédomein-dagboek. Het zijn mijn favoriete stukken, niet omdat de flarden alsnog mee mogen doen in het boek, maar omdat ik de werkwijze herken, stapels wegwerken, wie schrijft is in loondienst van zichzelf, er is kantoorwerk, archief, correspondentie, ordenen, misschien kom je in die stapels een zaadje tegen, zoals de mannetjesorchis die per toeval meekwam uit de Alpen – zaadje onder een schoen, in een vacht, op een jas, uitgeklopt boven zwarte Hollandse aarde (schaduw van een muur) – en die onder zijn raam ging bloeien. Schoonheid waar je die niet verwachtte.

VAN DE STAPEL

Marente de Moor, Foon.

‘Want redevoeringen kun je tegen een boom afsteken, en discussie met een boek voeren, maar voor koetjes en kalfjes zijn twee mensen nodig van vlees, bloed en goede wil.’

Een televisietoestel dat het niet meer doet, maar ‘nog steeds de wacht houdt in de eetkamer, voor de vorm, als een hoogbejaarde blinde butler.’

Vleermuizen die geluid maken ‘alsof ze limonade drinken door een rietje’.

Jonge mensen die je als je ze iets probeert uit te leggen ongelovig aankijken, ‘met ogen zo helder als pas gezeemde ramen’.

Daar doet een schrijver hem plezier mee. Maar hiermee niet: ‘Van het pad kom ik op een veld, dat eens een akker is geweest. In de verte zie ik de flat van het dorp en de pijp van de fabriek. […] Na een halfuur bereik ik het pleintje.’

De overbodigheid van ‘ik’ kondigt zich al aan doordat er in deze passage maar één persoon aan het woord kan zijn. Dan: ‘In de verte zie ik…’ Ik, lezer, neem aan dat iedereen daar zou zien wat zij, de vertelster, daar ziet. Dan geef ik de voorkeur aan: in de verte zie je enz. Of, nog stelliger: in de verte doemt het dorp op met zijn flat en fabriekspijp – nog een halfuur te gaan en je staat op het pleintje.

De stijfheid van zulke regels! (Tenzij iemand blind is geweest en opeens het licht terugkrijgt in zijn ogen: ‘In de verte zie ik de flat van het dorp en de pijp van de fabriek.’ Nou, en of. Met uitroepteken!)

***

Ik lees een boek zodat ik weet wat ik daarna kan lezen. Vorige week las ik het complete Rekelboek, en ik wilde daarna weten hoe het nu, 25 jaar later, met Koos van Zomeren gesteld is. Hij heeft de leeftijd bereikt van een oude hond. Er is een nieuwe hond, Ernie. Er waren/zijn vier honden.

Veel stukjes over het lezen van boeken in We gaan zo. Prettig wanneer iemand vertelt wat hem bevalt, wat niet, in de manier van schrijven, en die dingen aanwijst alsof hij een flat in de verte aanwijst, een pijp van een fabriek. Je leert iemands poetica kennen. Geen ik, ik, ik – de premisse van een dagboek, want het levert geen mooie (‘stijve’) zinnen. 

Hij citeert veel. Hij wandelt veel (= citeren wat je buiten ziet). Hij klaagt veel en net als je denkt ‘hij klaagt veel’ komt er een stuk waarin hij zegt dat zijn meelezer zegt dat hij veel klaagt waarna hij suggereert dat hij met terugwerkende kracht veel klaagstukken heeft verwijderd al zal de lezer nooit weten welke (en of). Het had erger kunnen zijn. Het had minder erg kunnen zijn. Hij zoekt bevestiging. Man heeft tachtig boeken, honderd boeken op de plank, maar is het goed, is het genoeg, is het goed genoeg? Op het plein bij het huis van mijn moeder (Koos van Zomeren zou de enorme boom met vogels beschrijven) staat een standbeeld ter ere van Anna Terruwe, zenuwarts, met daaronder de uitspraak ‘mens worden is alleen mogelijk door bevestiging’. Een figuur van steen slaat een jas van steen om een stenen persoon. Dit beeld koppelt mijn brein aan de schrijver en zijn meelezer/uitgever/redacteur, iemand die een jas omgeslagen wil krijgen en iemand die die jas omslaat. Dat is heerlijk. Zijn vrouw regelde zijn digitale zaken, de redactie van NRC typte en verwerkte zijn handgeschreven en gefaxte kopij. Hij kan op reis als de subsidie van het literatuurfonds binnenkomt, anders wordt het krap. Ik denk: Walden. Hij reist met openbaar vervoer. Hij haalt boeken bij de bibliotheek. Hij gumt de uitroeptekens bij goede zinnen uit voor het terugbrengen. Hij schrijft zijn dagboekstukken later (soms maanden later). Een schrijver kan zichzelf niet inhalen (Zeno’s paradox), zijn eigen dood niet schrijven.