Ik had ’ochtends de helikopter niet gehoord. Ik was te laat. Er liep nog één jonge vrouw, Ilona, in een roze shirt, stapvoets, als een werkpaard. Achter haar reden twee busjes op het fietspad dat tussen de flats en bomen door de Molenwijk slingert. Naast Ilona fietste een man, hij praatte op haar in, zij keek op haar horloge en zei ‘ik heb het anders 9km’ alsof 9km een tijdstip is. Ze zette het op een sjokken, een vage suggestie van rennen. Het orkest zag het gebeuren, zette nog één keer aan voor een deuntje. Drie mannen in oranje hesjes rolden het lint op en schoven de dranghekken aan de kant. Er viel iemand, een vrouw met grijs haar, ze had geen startnummer, was niet aanspreekbaar bij haar voornaam, ze zakte loodrecht in elkaar. Dat leek een geluk bij een ongeluk, vlak achter haar was een schuile helling die uitmondt in water. Twee mensen met een rood kruis op hun shirt stapten uit één van de bussen. Amsterdam op haar best. Ik woon halverwege het parcours, weet niet of Ilona en de vrouw het gehaald hebben en toch krijg ik een warm gevoel. Even verderop lagen bananenschillen, sinaasappelschillen en 20.000 uitgeknepen splinternieuwe gele sponzen in en naast enorme blauwe afvalbakken, ik nam er vier mee voor de ramen. Ter ere van de 40e editie klonken op vijftig locaties vier decennia aan muziek, van ‘Back to the 80’s’ tot de nieuwste future beats, ik stond bij de nieuwste future beats. De geoliede machine wekt mijn ontzag, al die jaren dat ik hier woon. Ik voel awe. Er was een record uit 1987 gesneuveld. Er liepen 106 Ilonas mee.