Maud Vanhauwaert doet op een pontje enkele observaties die ik zelf gedaan zou willen hebben. Ik sta er dagelijks op, zij alleen in de herfstvakantie, in haar komen ze op. Net als haar kinderen geniet ze enorm van ‘de overzet’. Dan volgt de gedachte die ik prachtig vind: ‘misschien is dat nog wel het mooist aan deze stad: dat ze een overkant heeft.’ Ja! Mijn liefde voor het essay bestaat voor een groot deel uit het genot om andermans zinnen over te zetten in eigen zinnen, te omringen met parels, gevoel te veranderen in afstand, in gedachten, Maud Vanhauwaert noemt het overzetten met de pont ‘de overzet’, ik vanaf nu ook. Een overzet duurt nauwelijks enkele minuten, je kunt de overkant met de ogen aanraken en toch bestaat de mogelijkheid dat de veerman het stuur draait en koers zet richting zee, schrijft Maud Vanhauwaert. Ik glimlach. Als er ooit een brug komt, van mijn kant van het IJ naar de overkant, hoop ik dat de pont blijft bestaan — in de verbeelding wil ik plots naar zee. Ik hoef het niet te zien, lezen volstaat. Andermans woorden geven glans aan mijn leven, wit glazuur op mijn zelfmaaktompouce.
[bij het lezen van mootjes, de cursiefjes van Maud Vanhauwaert die per drie oppoppen op de website van De Morgen onder elk stukje, als het hoofd van Medusa]