@henkvanstraten stukje: van gogh en de grot van pythagoras

Over schrijven als daad van verzet tegen het eigen pessimisme en een oud stuk steen met poepresten

Mijn twee zoons zijn met hun moeder tien dagen op Samos geweest. Toen ze terugkwamen gaf mijn oudste zoon (19) me twee souvenirs cadeau: een lokaal zeepje gemaakt met olijfolie en een zandkleurig stuk steen, plat en ruw. 

‘Uit de grot van Pythagoras,’ zei hij trots. ‘Hiermee heeft hij zijn reet nog afgeveegd.’ 

We omhelsden elkaar. Ik rook aan de steen.

Het tweede gedeelte van zijn zin was een grapje, maar toen ze daar waren, op Samos, bij die grot, kreeg ik veel oprecht enthousiaste appjes. Beide zoons hadden zich verdiept in Pythagoras. Zo wisten ze dat hij was verbannen en jarenlang als een asceet in die groot had gewoond. ‘Wij zijn nu gewoon echt op de plek waar hij was,’ schreef mijn oudste. 

Dat gun je iedereen, en zeker jongeren: het spirituele gevoel dat je krijgt als je het gevoel hebt echt even contact te kunnen maken met iets of iemand van honderden of duizenden jaren geleden. Het is nergens mee te vergelijken.

De steen ligt hier naast mijn laptop. Hij dient als vuursteen, waarbij je bij ‘vuur’ moet denken aan de combinatie van wilskracht, hoop en vertrouwen die ik nodig heb om mijn roman over de dood van Van Gogh weer op te pakken. 

Tijdens de twee vrije maanden tussen mijn vorige baan en mijn nieuwe schreef ik 60 duizend woorden, de lengte van een gemiddelde roman. Dat was pas de eerste helft, althans zo schat ik het in. Ik schreef dagelijks en de zinnen en hoofdstukken kwamen als vanzelf. Lange hoofdstukken! Geen witregels! Ik dacht niet na over kosten versus baten, niet over de zin van de hele onderneming, niet over de tijdgeest en de huidige staat van literatuur. Ik schreef gewoon.

Maar toen ging ik weer aan het werk. Op kantoor. Een nieuwe baan kost veel energie, je hebt nergens anders ruimte voor, althans niet waar het denkkracht en ambitie betreft. Dus liet ik de roman los. Naarmate de weken verstreken zag ik het boek steeds verder bij me vandaan drijven, als de volleybal met het gezichtje erop van Tom Hanks in Cast Away. (‘Wiiiiillson!’) 

We zijn drie maanden verder en ik heb niet meer aan de roman gewerkt. Wel kwam ik artikelen tegen waarin—met cijfers en grafieken en al—nog eens werd bevestigd dat er steeds minder mensen boeken lezen. Die lijn blijft hard dalen. Boeken geschreven door mannen doen het nog slechter dan boeken geschreven door vrouwen. Elke dag in de trein, op weg naar werk of naar huis, zie ik mensen scrollen op hun mobieltjes. Niemand met een boek. Beide zoons gaf ik een boek mee naar Griekenland. Kleine stinkerd, mijn debuutroman, voor mijn oudste, en Choke van Chuck Palahniuk voor mijn jongste. Mijn oudste heeft geen bladzijde gelezen. Mijn jongste kwam in die tien dagen tijd tot pagina 43. 

Mijn uitgever belde. De uitgever wiens contract ik tekende voor deze roman. De uitgever die me er een voorschot voor betaalde. Ze had gelezen wat ik tot dusver heb geschreven. Het is echt goed, zei ze. Ik moet doorgaan. ‘Goed,’ zei ik, en bladerde ondertussen door de series en films op Netflix, HBO, Disney+, AppleTV en MUBI. Nul behoefte aan schrijven. Voor wie?! Met welk doel?! 

Voor Jan Lul ja. 

Terug die roman ingaan, die al 60k woorden telt en is verteld vanuit vijf perspectieven, naast mijn baan; de moed zakt me al in de schoenen als ik eraan denk. Ik watertrappel in de zee en zoek naar Wilson: een stip op de horizon, haast niet te zien. 

Maar ja, nu ligt die steen hier. Zoals Pythagoras ooit in die grot woonde, zo hadden ook mijn personages ooit echt hun levens in Auvers-sur-Oise, Frankrijk. De herbergiersdochter, Adeline. De dorpsdokter, Paul Gachet. Zijn dochter, Marguerite. De verwende tiener en pestkop, René Secrétan. En in hun midden, verward en verwaarloosd, een schotwond in zijn zij: Vincent. 

Ik kan ze niet zo achterlaten, halverwege hun verhaal. 

Als Pythagoras jaren in een kale grot kon leven, en zijn reet afveegde met een stuk steen, dan kan ik de letters op mijn toetsenbord indrukken — Henk van Straten

[Ik trof een dikke week geleden in De boekenmolen in Meliskerke, die verhuist is naar de schuur van de boerderij naast de boerderij waar De boekenmolen (met een zoldertje met puntdak, feitelijk een tent vol tweedehands boeken waarin je op je knieën kroop, in het donker, tenzij je de lichtknop vond) eerst zat, en nu daadwerkelijk naast een molen staat alsof die beweging een goede redactionele ingreep betreft — als de molen niet naar Mozes komt, komt Mozes naar de molen (de boekenmolen heeft een breed assortiment theologische boeken, ik kocht er een nieuw ruikende De eeuwige mens van G.K. Chesterton (32,99 euro) — een brievenboek van Van Gogh voor 9,90 euro. Waar Henk van Straten in twee maanden in between jobs 60.000 woorden typt, een half boek, probeer ik in die tijd 30 boeken te lezen. Nu ik weet dat Henk van Straten over Van Gogh schrijft krijg ik extra zin in het brievenboek. Ik leg het boven op de stapel, vanmiddag begin ik, en dan hoop ik dat Henk van Straten spoedig levert. De noodzakelijke ander: je leest niet zelf, je wordt gelezen. De ander moet de woorden typen, ongelooflijk veel werk, weinig zin. Je typt ze tegen de klippen op, naast een baan.]