Ik fourageer in de nacht, in de vroege ochtend. Als de werkdag begint zit het dagelijkse werk er op, schrijvend plak ik vondsten tegen elkaar, kale verbindingen. De hoofdpersoon in Gyrðir Elíassons Het raam op het zuiden zit in een zwart huis temidden van zwarte huizen aan zee en schrijft een boek. Zijn eigenlijke boek schiet niet op, ik lees het boek dat overblijft. Het simpele registreren van de dagen, het zitten achter de typemachine (‘een giftig soort schelpdier’), het boodschappen doen, het luisteren naar onzinnieuws op de radio, het naar de raven kijken, het huis dat niet van hem is maar van een rijke vriend, de mensen die er niet zijn en dan wel, het koffiehuis dat gesloten is en dan open (de seizoenen), geluiden (regen, zee, wind, ruitenwissers): de substantie koekt aan tot het boek dat ik tot me neem. Ik heb niet eerder gehoord van Uitgeverij Oevers, Zaandam, op een steenworp van waar ik woon. Had ook honderden kilometers ver kunnen liggen. Ik fourageerde niet in mijn dagelijkse leefgebied. Ik kocht dit boek in een opwelling (20 euro, 8 liter benzine, 45 eieren) — een luxe aankoop in een boekwinkel in Middelburg, dichtbij de zee, in het rustgebied waar ik op krachten kom.