In de winkel koop ik citroengele citroenvla en een pakje kaartjes, Italian brainrot.
Thuis lees ik twee boeken, tegen de klippen op, het eind van de vakantie nadert, een duistere grijze massa omsingelt het bed, drab druipt mijn kant op, bedreigt het vacuüm: Begin, midden, einde (Valeria Luiselli) en Het romantische mechaniek (Dick Hillenius).
De Etna is actief, in het boek van Luiselli en op televisie. In het boek vergelijkt Luiselli de trage stroom lava met een bloedneus. Prachtig beeld. Op televisie veegt iemand met een bezem zwarte as van een motorkap. Ik maak me een klein beetje zorgen dat het in de kier van de motorkap verdwijnt.
Hillenius schrijft over nachtdieren dat het paradoxaal lijkt dat ze op licht af komen. ‘Maar de meeste zijn niet nachtdier geworden omdat ze niet tegen licht konden, maar om andere voordelen van de nacht: bepaald voedsel, vochtigheid b.v. Daarmee hoeft niet verloren te zijn gegaan de eigenschap van de vroeger daglevende voorouders, die in donker alleen schuilplaats vinden of per ongeluk gevangen geraakt zijn. Steeds is het licht dan de richting van de uitweg. Dit is elementair.’
Ik weet niet of wat Hillenius schrijft waar is, maar ‘vroeger daglevende voorouders’ vind ik drie prachtige onhandige woorden, die uitnodigen tot dagdromen (nachtdromen?).
Behalve nachtdieren hebben we, dankzij de beheersing van vuur, nachtdingen: vuurtorens waarschuwen schepen in de nacht.
Wat Luiselli schrijft voelt waar, omdat ik haar beelden voor me zie, en wordt (al lezende) waar, omdat ze over verhalen schrijft, en over het schrijven van het boek dat ik in handen heb.
De zon zonder bomen is genadeloos.
Zal het licht altijd de richting van de uitweg blijken? Zouden wij kunnen evolueren tot nachtdieren? Van welke eigenschappen als dagdier zou ik geen afstand willen doen?