Blind als we waren voor het nabije, vluchtten we met onze vragen en theorieën altijd weer over de grens. Dat was des te vreemder, omdat het Europese platteland was ingericht en geordend volgens de inzichten van een socialist van eigen bodem, Sicco Leendert Mansholt.
Deze architect van het Brusselse landbouwbeleid was een nazaat van een Groninger herenboer. Als vice-voorzitter van de Europese Commissie had hij in 1968 een plan geschreven, het Mansholt-Memorandum, waarmee hij miljoenen keuterboertjes van hun land verjoeg. Mansholt dreef de kleine boeren als een kudde schapen naar de industrie. Van Griekenland tot Denemarken stond hij bekend als The Red Bull – en dat was niet vleiend bedoeld. De meeste boeren die ik sprak vonden dat hij moest hangen aan de hoogste boom. ‘Hij heeft zijn stand verraden,’ zeiden ze. In november 1994 was Sicco Mansholt zesentachtig jaar. Ik besloot hem op te zoeken op zijn boerderij in het Drentse Wapserveen omdat ik onmogelijk over de Stocksterhorn kon schrijven zonder de grote beleidsmaker gesproken te hebben.
De Mansholts leefden als gewone stervelingen in een gewoon veendorp, waar de lucht zurig rook naar kuilvoer en waar ieder erf verdedigd werd door bijthonden. De oprijlaan naar nummer 18 leidde naar een zeventiende-eeuwse boerderij in Saksische stijl: sober en solide, met een overhangend rieten dak dat je met gemak kon aanraken. Monumentaal, dat wel, maar niet uit- bundig.
Hoewel hij dertien jaar op rij minister van Landbouw was geweest, en nog eens dertien jaar vice-voorzitter en voorzitter van de Europese Commissie, begroette Sicco me met het gortdroge ‘moi’. Henny Mansholt kneedde brooddeeg in de keuken, Sicco ging me schuifelend van ouderdom voor naar de visitekamer, waar het zelfs op klaarlichte dag leek te schemeren. Een van de schaarse ruitjes van het voorhuis zat dichtgeplakt met een affiche tegen de opslag van kernkoppen op de basis Havelterberg, een paar kilometer verderop.
Mansholt had een grof lijf, een stierennek en een kin die op zijn romp rustte. De plankenvloer kraakte onder zijn gewicht; verder was het doordringend stil.
Toen we tegenover elkaar zaten bij de haard, vroeg ik hem naar zijn jeugd op de boerderij in Groningen. Mansholt schikte de kussens in zijn stoel en schetste een sociaal-realistisch schilderij dat droop van vooruitgangsgeloof.
Zijn grootvader Derk had meer dan honderd jaar geleden naam gemaakt als een van de markantste herenboeren van het Oldambt. Opa Mansholt was een kalende Oost-Fries met een scherpgepunte snor, een huisvriend van Domela Nieuwenhuis en Multatuli. Als grensverleggende boer was hij aan het einde van de vorige eeuw naar de pas ontgonnen Westpolder getrokken, op de Groninger kust tegenover Schiermonnikoog. Op de kolossale hoeve Torum was in 1908 Sicco geboren.
Met liefde en ontzag vertelde hij over de komst van nieuwe machines, over de eerste auto (een open Buick waar de kuiper uit Ulrum later een kap op had gebouwd) en de vernuftige Dee- ring-zelfbinder die het sikkelen en binden met de hand – en dus veel rondtrekkende seizoenarbeiders – overbodig maakte. De hannekemaaiers uit Westfalen hoefden, als ze gehooid hadden in Friesland, op de terugweg naar Duitsland niet meer bij de Mansholts aan te kloppen voor werk.
Sicco herinnerde zich de dag dat de petroleumlamp in huis, en de driehoekige lantaarns met kaarsen in de stallen, werden vervangen door elektrisch licht.
‘Ik vond het een wonder dat je niet meer met de hand hoefde te pompen om de waterbak op zolder vol te krijgen,’ zei hij.
Het leek of hij de stoomdorser op het erf nog hoorde sissen. Hij vertelde over de lange, zwiepende drijfriem waar je als jongen niet te dichtbij mocht komen, over ronddwarrelend kaf en het gedraaf van de tweespannen die telkens met een kar vol nieuwe schoven van het land kwamen.
Een halve eeuw later, in 1968, zou hij als een van de machtigste mannen van Europa met zijn Memorandum menige plattelandsidylle om zeep helpen, en daarom benieuwde het mij of hij daar ooit spijt van had gehad.
‘Spijt?’ zei hij ongelovig. Had hij die miljoenen boertjes met een stuk of twaalf koetjes en een lapje grond, die vroeg of laat toch uit de landbouw zouden verdwijnen, niet juist uit hun beklagenswaardige positie bevrijd? Hoe kon je daar spijt van hebben?
De oude man strekte zijn arm uit en pakte een handvol rapporten uit de boekenkast. Drie versies had hij nog: Frans, Duits en Engels. ‘U mag er een uitkiezen,’ zei hij.
Ik sloeg het Memorandum zur Reform der Landwirtschaft open en las op pagina 32 dat de agrarische bevolking in de zes landen van de EEG tussen 1970 en 1980 van tien naar vijf miljoen zielen diende terug te lopen. Om dat proces te bespoedigen moesten alle voorgestelde Maßnahmen naar de letter worden uitgevoerd.
‘Over dat plan werd destijds heel sentimenteel gedaan,’ zei Mansholt.
In Kiel had hij eens uren voor een zaal vol loeiende boeren gestaan. Af en toe deed hij als een vis zijn mond open, maar hij kon zich niet verstaanbaar maken.
‘Bauernmörder,’ scandeerden ze.
Mansholt wilde de ruggengraat van de boerenstand breken omdat die de vooruitgang in de weg stond. Ook hij had geworsteld met de Agrarfrage. Zijn Memorandum liet zich vergelijken met de experimenten van Lenin (op wiens instrumentarium hij jaloers was), Mao (voor wie hij grote bewondering koesterde) en andere heersers (Pol Pot, Ceauşescu) die despotische oplossingen hadden gevonden voor het boerenvraagstuk. Ook hij wilde dat boerentraditie en -sentiment plaats zouden maken voor moderniteit en rationaliteit. Alleen met minder boeren op grotere, gemechaniseerde bedrijven zou de productie kunnen worden opgeschroefd, zodat het platteland een waardige bijdrage kon leveren aan de ontwikkeling van de maatschappij.
Mansholt streefde naar maximale productiegroei, het altaar waarop hij de natuur en de romantiek van het boerenbestaan offerde.
Het was dan ook geen wonder dat hij de aartsconservatief Franz Joseph Strauss op zijn weg tegenkwam. De CSU-regent van Beieren nam het voor de ‘nobele boer’ op en riep Mansholt uit tot vijand van het volk. ‘Dieser Mann kann ich ermorden,’ zei hij letterlijk.
‘Ach,’ zei Mansholt, ‘ik heb mijn hele leven sowieso veel weerstand opgeroepen.’ Hij vertelde over een treffen met Strauss op het erf van een katholiek Beiers boertje, dat uitliep op een duel tussen rood en rooms. Gezeten aan een houten picknicktafel voor een vakwerkboerderij – een plaatje uit een schoolboek met alles
erop en eraan: koeien, geiten, kippen – hadden de twee zich bier en hom- brood met Schinken laten voorzetten. De boerin liep af en aan terwijl haar vlasblonde kinderen van een afstandje toekeken.
‘Herr Mansholt,’ had Strauss gezegd. ‘Kijk nu toch eens hoe gelukkig deze familie is.’
Maar de landbouwcommissaris was niet erg onder de indruk. Die kauwde op een korst brood en richtte zich tot de gastvrouw met de vraag hoeveel vrije tijd ze had.
‘Freizeit?’ herhaalde ze met wriemelende handen. ‘Ja, vakantie.’
‘Maar daar hebben we toch helemaal geen tijd voor.’ ‘Zondags toch wel zeker?’
‘Zondags gaan we naar de kerk,’ zei de boerin. ‘En we kunnen de koeien toch niet in de steek laten, die moeten ook gemolken worden.’
Mansholt had haar niet laten uitpraten. ‘Herr Strauss,’ zei hij. ‘Zie hoe gelukkig uw gelukkige familie is.’
Nee, Sicco had nooit achter de lofzangers van de armoede aangelopen, dat waren volgens hem misleide romantici of demagogen.
‘Het ging Strauss natuurlijk om zijn stemvee, zijn machtsbasis,’ zei hij op een toon van baas boven baas. ‘Daar prikte ik zo doorheen.’
Hoewel van ouderdom gekrompen, had Mansholt niets aan strijdvaardigheid ingeboet. Hij had gewonnen, daar in het zuiden van Duitsland. Door zijn ingrijpen was Europa voor zijn voedsel niet meer afhankelijk van het buitenland. Niemand had een grotere invloed gehad op het aangezicht van het platteland dan hij. Het open veld was grootschaliger van opzet geworden, rechtlijniger, strenger. Van Sicilië tot Bretagne kropen er dezelfde monstrueuze machines over de akkers. Spijt van het Memorandum had hij niet. Integendeel: Mansholt vreesde dat er nog steeds veel te veel boeren waren.
Als protectionist had hij de levenssappen van de markt afgeknepen, met als gevolg dat de landbouw een vermolmde eik was geworden. Maar inmiddels was er in Brussel een nieuwe generatie commissarissen aangetreden die het als haar taak zag het werk van Mansholt ongedaan te maken. Het was slechts een kwestie van tijd voordat de wind van laissez faire, laissez passer weer over het platteland ging waaien. Mansholt verwachtte dat de eik, als het zover was, met een daverend gekraak zou omvallen.
Hij voorzag dat er in Europa uitgestrekte gebieden waren die niet konden wedijveren met de rest van de wereld, zodat er een nieuwe uittocht van landbouwers op gang zou komen. Ook het Oldambt zou nog voor de eeuwwisseling als traditionele graanschuur verdwijnen.
Natuurlijk ging hem dat persoonlijk aan het hart. Maar er was niets aan te doen.
‘Lange tijd heb ik geloofd in de maakbare samenleving,’ zei hij. ‘Maar je kunt niet sturen en reguleren tot in het oneindige.’ Zonder een spatje ironie constateerde de landbouwcommissaris: ‘Het tijdperk Mansholt is ten einde.’
Hij voorspelde dat de exodus van het platteland naar de stad nog maar voor de helft voltooid was.
Ik probeerde mij in te beelden wat er met het landschap moest gebeuren als er geen boeren meer waren. Zou West-Europa dan toch nog gaan lijken op de gecollectiviseerde leegte van de vroegere Sovjet-Unie?
‘Nee,’ zei Mansholt met een stelligheid die niet van deze posttotalitaire tijd leek. ‘We moeten landbouwgrond teruggeven aan de natuur.’
De Stocksterhorn produceerde bergen graan, die waardeloos waren, en Sicco Mansholt meende dat je de korenvelden nog het beste onder water kon zetten. De tragiek van de grote landbouwhervormer hing voelbaar tussen ons in. Ik vroeg mij af: waartegen hebben de boeren gezondigd dat ze gedoemd zijn te verdwijnen? En: hoe heeft het zover kunnen komen? Als de geschiedenis van de graanrepubliek zo diabolisch haar einde neemt, dacht ik, dan wil ik die geschiedenis vertellen.
stem: frank westerman
titel: de landbouwcommissaris
perspectief: ‘ik kreeg hetzelfde gevoel van gejaagdheid als in de herfst van 1989 toen de landen van het Oostblok een voor een met donderend geraas om gingen: Ho stop, geschiedenis, wacht op mij, ik wil erbij zijn.’
bron: de graanrepubliek (1999)
mopw: meerstemmige encyclopedie