Ik herken het gevoel, de verwachting, in Amsterdam gebeurt het, terwijl vervolgens niets gebeurt wat niet ook elders kan gebeuren: werken, lezen, schrijven, dak dat lekt. Tot ik buiten loop. Jatten is een Jiddisch woord zegt een boekje over Amsterdam dat ik aantref in het keurige boekenkastje op weg naar werk, net als gappen, mazzel, achenebbisj. Ik ben gelukkig als ik jut. Is jutten Jiddisch? Is jutten jatten? Ik zet boeken nooit terug, tenzij ik het wel doe, dan heb ik ze bij nader inzien niet gelezen. Het geluk heeft te maken met vinden wat je niet zoekt en nooit had kunnen vinden omdat je niet weet dat het er is. Stenen in allerlei soorten en maten raap ik op allerlei plekken op, ik stapel ze tegen elkaar, maak een kronkelend tuinpad, sla met een rubberen hamer. Wanneer ik het huis verkoop, is het pad een eyecatcher een mooi rustiek element, beetje hobbelig. In het boekje lees ik dat Amsterdam tussen 1850-1870, wanneer het economisch slecht gaat, Amsterdam veel arbeidsmigranten kent, onder andere metselaars uit Noord-Brabant. Ik voel me in hun traditie staan, een tuinpad leggen is horizontaal metselen. Ik wil Amsterdam niet verlaten, daarom schrijf ik over haar, al schrijvende wil ik mezelf overtuigen te blijven.