Je wordt geboren en het toneel staat klaar, schrijft Erich Fromm. Volledige eenzaamheid en vertwijfeling noemt hij de ergste van alle smarten, het offer van vrijheid, in alle hevigheid ervaren als de verenkeling niet slaagt, het je noodgedwongen vrij maken van dwang, druk, familie, groep, stam, religie. Mischa de Vreede vertelt dat ze in 1955 in de bibliotheek in Amstelveen De grote zaal van Jacoba van Velde niet mocht uitlenen aan oude mensen: te neerslachtig, te somber, eenzaamheid, alleen sterven op de grote zaal. Er zit een prachtig boekje, een leesgids, bij het boekje, dat in 2010 gratis is uitgedeeld in bibliotheken. Jacoba van Velde is een prachtige vrouw, ze danst, ze schrijft, ze gaat naar Parijs, ze helpt Samuel Beckett aan een uitgever, ze vertaalt zijn werk. In het boekje staat een fotostripje bestaande uit drie foto’s: Jacoba van Velde ontmoet Samuel Beckett, slaat een arm om hem heen, laat die rusten tegen zijn onderrug, hij lacht, ze omhelzen elkaar. Haar romanpersonages (moeder en dochter) houden, net als Jacoba van Velde, van zon en zee, die brengen absolute rust. ‘Zo zou je moeten leven. Alleen met de zee en zonder mensen’ zegt dochter Helena. ‘De mens is op zichzelf aangewezen, kan niks van de ander verwachten.’ Ik ben huiverig De grote zaal te lezen, mensen in de leesgids waarschuwen me voor de indringendheid waarmee Jacoba van Velde ‘ons aller lot’ beschrijft. We zijn gedoemde enkelingen. Dat het boek in veelvoud gratis is uitgedeeld is positieve vrijheid: een uiting van liefde, een poging tot verbinding.
[bij het lezen van De angst voor vrijheid, Erich Fromm en de leesgids van Nederland leest De grote zaal, Jacoba van Velde]