stem: stephen toulmin
titel: van humanisme naar rationalisme
bron: kosmopolis (vert. maarten van der marel)

Laten wij […] Montaigne en Descartes eens tegenover elkaar stellen. De Essais van Michel de Montaigne, geschreven in de jaren 1570 en 1580, bevatten een volwassen humanistische filosofie. In zijn enige filosofische essay, de Apologie van Raimond Sebond, voert Montaigne een krachtig pleidooi voor het klassieke scepticisme als de manier om aan een arrogant dogmatisme te ontsnappen. In zijn andere essays onderzoekt hij verschillende aspecten van de menselijke ervaring: daarin maakt hij gebruik van zijn eigen herinneringen, getuigenissen van buren en vrienden of het materiaal dat hij opdiept uit de klassieke literatuur of de verhalen van contemporaine historici en etnografen.

Zijn zij eenmaal gewend aan Montaigne’s persoonlijke stijl en idioom, dan voelen veel laat-20e-eeuwse lezers zich meer met hem verwant dan met zijn opvolgers in de 17e eeuw. Als we lezen wat Michel de Montaigne en Francis Bacon te vertellen hebben over honderden onderwerpen die deel uitmaken van de menselijke ervaring – bijvoorbeeld vriendschap, kannibalisme, naaktheid of kledingvoorschriften – hun taal is ons in onze dagen even vertrouwd als ze was voor de oorspronkelijke lezers tussen 1580 en de beginjaren van de 17e eeuw. Montaigne noch Bacon zeurt over het theologische voor of tegen van zijn opvattingen: de Apologie is zelfs het enige essay dat aanrakingspunten heeft met de theologie. Beiden bespreken het leven zoals zij het aantreffen en schrijven erover in een ondogmatische geest.

Het is (nogmaals) niet zo dat de auteurs ‘irreligieus’ waren: Montaigne was praktizerend rooms-katholiek en Bacon ging naar een Anglicaanse kerkdienst zo vaak als het gebruik vereiste. Nog minder behoorden zij tot enige <em>anti</em>religieuze partij. Zij waren mensen van hun tijd en leefden als mensen van hun tijd; maar naar de aard van die tijd, vonden zijn het niet nodig hetzij steeds de naam van God aan te roepen, hetzij zich voortdurend te bekommeren over hun persoonlijk heil. In dit opzicht vormen Augustinus’ Confessiones een contrast met Montaigne’s Essais. Montaigne maakt wrange opmerkingen over zijn alledaagse gedrag: zijn ongezonde gewoonte om te schrokken, zodat hij op zijn tong en zelfs op zijn vingers bijt. Maar hij ontbloot zijn borst niet om erop te slaan, alsof hij vanwege deze gewoonte in het openbaar schuld zou moeten belijden. Integendeel: zijn doel was voorwendsels en gekunsteld gedrag, zelfverheffing of vertoon van zelfverwijt opzij te zetten en een onopgesmukt beeld te geven van zijn levenservaring en zijn geesteshouding.

Montaigne’s opvatting staat ook in scherp contrast met die van René Descartes of Isaac Newton. De intellectuele bescheidenheid van de humanisten bracht denkers als Bacon en Montaigne ertoe een koele, niet-belerende toon aan te slaan, waardoor zij ons vertrouwd voorkomen, en distantie te scheppen tussen hun religieuze affiniteit en hun filosofische of literaire gedachten over de ervaring. De 17e-eeuwse grondleggers van de moderne wetenschap en filosofie bezaten daarentegen theologische overtuigingen, die hun hele onderneming kleurden. Descartes en Newton uiten herhaaldelijk hun zorg over de religieuze orthodoxie van hun ideeën: wij begrijpen de kracht van hun wetenschappelijke speculaties alleen volledig, als we rekening houden met deze overtuigingen. Toch waren de interesses van Montaigne en Descartes niet zo verschillend, dat hun wegen zo ver uiteengingen als van ‘ships that pass in the dark.’ Integendeel, in zijn laatste essay, Over de ervaring, hield Montaigne zich regelrecht bezig met de voornaamste filosofische problemen die Descartes vijftig jaar later zou behandelen; en uit zijn eigen ervaring leidde hij redenen af om bij voorbaat die conclusies te verwerpen waarvoor Descartes in algemene, abstracte termen pleitte in de Meditationes.

Montaigne doet laatdunkend over pogingen om geestelijke activiteiten te scheiden van lichamelijke veranderingen: ‘Hij die zijn ziel wil afsplitsen, laag hem begaan … als zijn lichaam ziek is, om het van de besmetting te bevrijden; laat de ziel daarentegen op andere momenten het lichaam helpen en aanmoedigen en niet weigeren aan de natuurlijke genoegens van het lichaam deel te nemen.’ Elders schrijf hij:

Aangezien de geest het voorrecht bezit zich van de ouderdom te vrijwaren, adviseer ik de mijne zo nadrukkelijk mogelijk dat te doen. Laat hij groen worden, laat hij intussen zo mogelijk floreren, als maretak op een dode boom. Maar ik vrees hem als een verrader. Hij heeft zulke sterke broederbanden met het lichaam dat hij me om de haverklap in de steek laat om het lichaam in zijn zorgen bij te staan. Ik neem hem apart en vlei hem, ik werk aan hem, allemaal voor niets. Tevergeefs probeer ik hem af te leiden van dit verbond, ik bied Seneca en Catullus aan en de dames en de koninklijke dansen; als zijn metgezel koliek heeft, schijnt hij het ook te hebben. Zelfs de activiteiten die hem speciaal eigen zijn, komen dan niet op gang; zij rieken kennelijk naar een verkoudheid in het hoofd. De produkten [van de geest] zijn niet levendig, als die van het lichaam dat niet tegelijkertijd ook zijn.

Hij maakt vooral filosofen verwijten die de tegenstelling tussen geest en lichaam gebruiken om lichamelijke ervaring te minachten. Filosofen neigen alleen tot dualisme, suggereert hij, als zij zich niet op hun gemak voelen bij hun eigen lichamelijke aard.

Filosofie is naar mijn idee erg kinderlijk als ze op haar achterste benen gaat staan en ons verkondigt dat het huwelijk van het goddelijke met het aardse, het redelijke met het onredelijke, het strenge met het toegeeflijke, het eerzame met het oneerzame een barbaarse verbintenis is; dat sensueel genot grof is en een onwaardig genoegen voor de wijze.

Welke reden zou een modern filosoof hebben om af te geven op het vlees? Voor een antwoord op de vraag kunnen wij kijken naar de verschillende persoonlijkheden van de Renaissance-humanisten en de rationalistische denkers die hen opvolgden. Opnieuw is er een opvallend verschil tussen Montaigne en Descartes. De dames aan het Franse hof – aldus het verhaal – bewaarden in hun boudoir een van Montaigne’s latere essays (dat met de eigenaardige titel Over enkele verzen van Virgilius) en lazen dat voor hun plezier. In dit essay denkt hij na over zijn seksuele ervaringen en betreurt hij de preutse gewoonten van de maatschappij.

Wat heeft de geslachtsdaad, zo natuurlijk, zo noodzakelijk en zo juist, de mensheid aangedaan, dat wij er niet zonder schaamte over durven praten en hem uitsluiten uit serieuze en nette gesprekken? Wij spreken vrijmoedig over ‘doden,’ ‘stelen’ en ‘verraden’; en dit woord durven wij niet uit te spreken, tenzij fluisterend. Hebben we soms meer recht er in gedachten in te zwelgen, hoe minder we erover spreken?

Van zichzelf zegt hij: ‘Ik heb mezelf opgedragen alles te durven zeggen wat ik durf te doen, en ik heb zelfs een afkeer van gedachten die niet voor publikatie in aanmerking komen.’

Hij is open over zijn plezier in seksuele relaties (‘Nooit was een man meer uitgesproken genitaal in zijn toenaderingen’), al benadrukt hij dat zij het meest aangenaam zijn, als het liefdesspel een uitdrukking is van ware genegenheid. Hij denkt na over de schaamte van de impotentie. Op latere leeftijd, zegt hij – hij stierf in de vijftig – is het moeilijker, bij een overwachte mogelijkheid een schone vrouw het hof te maken, ervoor te zorgen een bevredigende erectie te krijgen:

Wie de volgende morgen kan afwachten, de minachting van die mooie ogen die zijn slapheid en onvermogen hebben gezien, [‘Haar stille blikken die verwijtend spraken’ – Ovidius] heeft nog nooit de voldoening en trots gevoeld ze te hebben veroverd en er kringen rond te hebben gemaakt met de krachtige oefeningen van een drukbezette nacht.

Maar verre van zijn lichaam deze mislukking te verwijten, erkent hij dat de zwakte evenzeer het gevolg is van een dubbelzinnig verlangen als van fysiek onvermogen en neemt hij direct de verantwoordelijkheid op zich voor het feit dat zijn lichaam hem zo nu en dan in de steek laat:

Elk van mijn lichaamsdelen maakt mij evenzeer mijzelf als elk ander. En geen enkel deel maakt mij meer een ware man dan dit.

Sommige lezers zullen het lichtzinnig vinden om Montaigne’s houding tegenover seks te gebruiken om licht te werpen op zijn filosofie; zij kunnen zijn overwegingen zelfs aanstootgevend vinden en hem ervan beschuldigen een obsessie voor het onderwerp te hebben. Wij repliceren met de opmerking dat het essay Virgilius qua lengte maar een twintigste deel (vijf procent) van de Essais uitmaakt: in de overige 95 procent bezint hij zich met dezelfde vrijmoedigheid en afkeer van schijnheiligheid op andere ervaringen. We kunnen de kwestie naar de tegenstanders terugkaatsen en vragen: ‘Wat heeft René Descartes over deze zaken te vertellen? Heeft hij zijn seksuele ervaringen even ontspannen kunnen benaderen als Montaigne?’ De vraag stellen is haar beantwoorden. Tegen de tijd van Descartes zaten de preutse maatschappelijke gewoonten die Montaigne betreurde, alweer in het zadel. De hofdames legden de werken van Descartes zeker niet onder hun kussen: seksualiteit was verre van een onderwerp waarover hij expliciet schreef; wij kunnen zijn opvattingen alleen langs indirecte weg reconstrueren: door woorden in zijn teksten te ontcijferen als eufemismen voor seksuele onderwerpen en door na te gaan of zijn levensloop ons aanwijzingen geeft over deze opvattingen.

Op zoek naar eufemismen kunnen we beginnen met het woord ‘passies’: speciaal in Descartes’ laatste grote boek, geschreven voor koningin Christina van Zweden, de Traité des passions. Het is duidelijk dat we ons volgens hem niet verantwoordelijk hoeven te voelen voor onze emoties. Gevoelens zijn niet iets wat wij doen: ons lichaam doet ze ons aan. Geestelijk leven omvatte voor Descartes bovenal rationele berekening, intuïtieve ideeën, intellectuele overwegingen en zintuiglijke indrukken: wij kunnen verantwoordelijkheid aanvaarden voor de geldigheid van onze berekeningen, maar niet voor de emoties die onze gevolgtrekkingen doorkruisen of verwarren. Op het oog impliceert Descartes’ standpunt dus dat een filosoof iedere verantwoordelijkheid voor zijn erecties kan afwijzen, tenzij hij een goede reden heeft om er een te krijgen.

Niets in Descartes’ gepubliceerde filosofische verhandelingen komt ook maar in de buurt van Montaigne’s vrijmoedigheid of gemakkelijkheid, en zijn levensgeschiedenis wijst erop dat hij zich ten aanzien van seksualiteit wat verlegen voelde. Hij nam zoals bekend zijn huishoudster als maîtresse, die hem ter bestemder tijd een dochter schonk. De vroege dood van het kind deed hem veel verdriet; maar hij bleef de moeder aanduiden als een bediende en het meisje als ‘zijn nichtje’. Zijn woordkeuze is eigenaardig. Kardinalen werden verondersteld celibatair te leven en hadden dus ‘nichten’ of ‘neven’; maar waarom moest Descartes zo terughoudend zijn? Uit puriteinse motieven, of snobistische? Was de huishoudster van te lage afkomst voor een lid van een familie die op weg was op te klimmen naar de adelstand? Of had hij een eerlijker reden? Op deze afstand kunnen wij daar niet achter komen, maar het volgende is duidelijk. Montaigne ‘durfde alles te zeggen wat hij durfde te doen’, maar Descartes handelde in zijn privéleven net als in zijn beroepsleven, zoals hij openhartig schreef: larvatus prodeo (‘ik treed op met een masker‘).

[ pending… imhd is still typing ]