stem: rené ten bos

titel: pliocene wanhoop

bron: dwalen in het antropoceen

Hoe ingewikkeld extincties zijn, blijkt als we bijvoorbeeld kijken naar het lot van een vogel die nog niet zo lang geleden – ik spreek over enkele decennia – een gewone verschijning in India was en daar nu bijna is uitgestorven: de gyps bengalis of Bengaalse gier. De oorzaak is het massale gebruik van geneesmiddelen in de Indiase veeteelt. Om het vee te beschermen tegen ontstekingsziekten werd vanaf de jaren negentig massaal diclofenac toegediend. Later kwamen er ook andere middelen bij, die nauwelijks minder giftig zijn voor de vogels. Vijf milligram diclofenac in een kilo vlees is genoeg om een volwassen gier een pijnlijke dood te bezorgen. Met name de nieren van de vogels begeven het. De situatie heeft inmiddels tot een totale ramp geleid. Ooit was het zo dat als een koe stierf en op de velden bleef liggen, uit de boomtoppen onmiddellijk de schoonmaakpolitie kwam aangevlogen en het kadaver in ongeveer veertig minuten schoonvrat. Een zeer nuttige bezigheid; omdat de meeste Indiërs geen vlees eten, blijven de dode beesten namelijk op de velden liggen. Een troep gieren is dan handig want ze verhinderen dat het rottingsproces tot de verspreiding van allerlei ziektekiemen leidt. Enigszins ironisch is dat de gier als aaseter altijd uitstekend bestand is geweest tegen medicijnen en andere troep die het vee kreeg toegediend. Maar diclofenac is nu juist een geneesmiddel waartegen de immuniteit van het beest niet is opgewassen. Zo sterft een vogel uit – en dat is ook weer een van die maffe kronkels die we voortdurend in dit boek [dwalen in het antropoceen] tegenkomen – vanwege het feit dat het zich door de eeuwen heen juist zo goed aan de mensen heeft aangepast. De gier paste lange tijd precies bij de vegetarische cultuur van India. Het beest had eeuwenlang een belangrijke ecologische functie. Nu is het, zoals extinctiebiologen dat zeggen, ‘ecologisch uitgestorven’. Dat wil zeggen dat de soort wel zal blijven bestaan, maar dat hij niet langer zijn ecologische functie kan vervullen. […] In India liggen dode beesten nu weg te rotten omdat de gier niet meer komt. Weliswaar zijn er andere aaseters – wilde honden en ratten – maar die zijn lang niet zo efficiënt als de gieren. Ze ontvlezen het karkas niet volkomen, met als gevolg dat de ziektekiemen in de restanten, ooit perfect geneutraliseerd door de gieren, zich verspreiden. Dat gebeurt niet alleen doordat veel honden als ze ziek zijn agressiever worden – er zijn aanwijzingen dat de laatste jaren steeds meer mensen door zieke honden gebeten worden – maar ook door besmetting van drinkwaterbronnen. Alles hangt met alles samen.

«