stem: karl ove knausgård
titel: appels
bron: herfst (vert. marin mars)

Om de een of andere reden is fruit in Scandinavië goed toegankelijk, met alleen een dunne, makkelijk door te bijten schil om het vruchtvlees, dat geldt zowel voor peren en appels als voor pruimen, je kunt ze zo naar binnen slobberen, terwijl vruchten die in zuidelijker streken groeien, zoals sinaasappels, mandarijnen, bananen, granaatappels, mango’s en passievruchten, vaak een dikke, niet-eetbare schil hebben. Normaal gesproken, gezien mijn andere voorkeuren, prefereer ik het laatste, omdat de gedachte dat genot eerst door noeste arbeid moet worden verdiend diep in mij verankerd ligt, en omdat het verborgene en het geheime me altijd heeft aangetrokken. Het topje van een sinaasappel afbijten, en in een fractie van een seconde de bittere smaak je mondholte in voelen schieten, om je duim tussen de schil en het vruchtvlees te kunnen wurmen en die zo stukje bij beetje af te pellen – soms, als het een dunne schil is, in kleine stukjes, en een andere keer, als het een dikke schil is die los om het vruchtvlees zit in één lange sliert – heeft ook iets van een ritueel. Als je je tanden in het dunne, glimmende vlies zet en het sap je mond in loopt en die met een bedwelmende zoetheid vult, is het bijna alsof je eerst in de zuilengalerij van een tempel bent en je je vervolgens langzaam naar de binnenste ruimte begeeft. Zowel de inspanning als het geheime, de ontoegankelijkheid dus, vergroot de waarde van het genot. Appels vormen hierop een uitzondering. Je hoeft je hand maar uit te strekken, de appel te pakken en je tanden erin te zetten. Geen inspanning, geen geheim, gewoon regelrecht naar genot, in je mond het haast explosieve vrijkomen van de frisse, zurige maar toch altijd ook zoete appelsmaak, die je zenuwen kan laten verstijven en misschien ook de spieren in je gezicht zich kan laten aanspannen, alsof de afstand tussen appel en mens net groot genoeg is om dit miniatuurschokje nooit helemaal te laten verdwijnen, hoeveel appels je in je leven ook gegeten hebt.
Ik was nog best klein toen ik begon de hele appel op te eten. Niet alleen het vruchtvlees, maar ook het hele klokhuis inclusief pitjes, en zelfs het steeltje. Niet omdat dat goed was, denk ik, en ook niet omdat ik het idee had dat ik niets mocht verspillen, maar omdat het eten van het klokhuis en het steeltje tegenwicht bood aan het genot. Het was een soort inspanning, zij het in omgekeerde volgorde: eerst de beloning en dan het werk. Ik zou het nog steeds niet in mijn hoofd halen het klokhuis van een appel weg te gooien, en als ik het mijn kinderen zie doen – soms gooien ze halfopgegeten appels weg – voel ik de verontwaardiging opborrelen, zonder dat ik er iets van zeg, want ik wil dat ze het leven omarmen en er een hoorn des overvloeds-achtige verhouding mee hebben. Ik wil dat ze het leven als iets lichts ervaren. Daarom heb ik ook mijn houding ten opzichte van appels veranderd, het was geen kwestie van wilskracht, maar het resultaat van het feit dat ik meer heb gezien en meer begrijp, denk ik, en nu weet ik dat het nooit om de wereld op zichzelf gaat, maar alleen om hoe we tegen haar aankijken.
Tegenover het heimelijke staat het opene, tegenover de inspanning staat de vrijheid.
Afgelopen zondag gingen we naar het strand een kilometer hiervandaan, het was een van die vroege herfstdagen waarop de zomer nog voelbaar was, zo’n dag die hij bijna geheel met zijn warmte en rust had vervuld terwijl de toeristen allang naar huis waren en het strand er verlaten bij lag. Ik nam de kinderen mee voor een wandelingetje door het bos, dat tot aan het strand komt en overwegend uit loofbomen bestaat, met een enkele roodstammige den ertussen. De lucht was warm en stil, de zon hing zwaar van licht aan de iets donkerblauwe hemel. We volgden een pad dieper het bos in, en daar, midden in het bos, stond een appelboom vol appels. De kinderen waren net zo verbaasd als ik, appelbomen groeien in tuinen, niet in het wild in het bos. Kunnen we ze eten, vroegen ze. Ik zei ja, pluk er maar een. Opeens, in een flits, begreep ik, evenzeer vervuld van geluk als van verdriet, wat vrijheid was.

[en nu weet ik dat het nooit om de wereld op zichzelf gaat, maar alleen om hoe we tegen haar aankijken]

«