We luisteren noodgedwongen naar de dingen, die, hoewel ze zwijgen, onophoudelijk praten. De veiligheidsgordel zegt: ‘Als je te hard rijdt, ga er dan tenminste niet aan dood.’ Het verkeerslicht: ‘Gehoorzaam mij! Stop als ik het gebied.’ De verkeersdrempel: ‘Rijd geen kinderen omver. Minder vaart.’ Door de toename van dingen, het naakte feit dat ze er zijn, neemt de moraal toe. Doe dit, doe dat, gedraag u aldus, ga niet daarheen, zo moet u dit doen, u mag daarheen. Door de dingen gedragen we ons nog redelijk redelijk.

(bij het lezen van Bruno Latours De Berlijnse sleutel en andere lessen van een liefhebber van wetenschap en techniek: de mens is erin geslaagd niet alleen kracht, maar ook waarden, plichten en ethiek over te dragen aan de dingen.)