All art involves limitation, but a writer who uses only one tense seems a bit like a painter who, out of a whole set of oil paints, uses only pink. – Ursula K. Le Guin

Hoe vertel ik het verhaal van de liefde?

Je moet zo snel mogelijk uit de tegenwoordige tijd zien te geraken, zegt Ursula K. Le Guin.

Verleden tijd is geen slechte keuze, keep the story cool, het verhaal is al enigszins afgekoeld, je hebt toen, en je hebt nu en vanuit nu bezie je toen. Hoe ze daar stond, op de rode klei, onder de goudgele bladeren, dat beeld, die gouden gloed verdraagt reflectie, maakt diepte mogelijk, complexiteit, gelaagdheid. Denk toch eens na wat dat allemaal impliceert, wat je zou kunnen zeggen over liefde.

Terugkeren naar het verleden betekent, oh onbetrouwbaar geheugen, een sluier aanbrengen.

Ik merk dat ik niet wil nadenken, niet terugkeren. Ze is bezig.

Ie(ts)(mand) wint aan diepte en complexiteit als je tijd met ie(ts)(mand) doorbrengt.

Je kunt tijd- en ruimtereizen, ik wil geestreizen, lichaamreizen, met haar reizen. Er zijn twaalf zintuigen, ik prop het boek van Albert Soesman in mijn koffer, al is daar geen ruimte, ik neem voedsel mee en een warme trui en een spelletje want er is sneeuwdump, lawinegevaar, slechts een paar liften zijn open.

Ze appt of ik kom, ik typ deze tekst, leven roept. Ik heb geen tijd om te redigeren.

Alle vogels zijn nesten begonnen, behalve ik en jij. Waar wachten wij nu op? – in veertien woorden ben je in de Middeleeuwen, in een kus in iemands mond. Waar wachten wij nu op?

We schudden elkaars hand. Als ze de deur voor me open doet stellen we onszelf voor, we herhalen de eerste ontmoeting, keer op keer, altijd een eerste date, eeuwige wederkeer.

Ik dacht dat roman iets te maken zou hebben met romance, een liefdesverhaal, maar het betekent zoiets als ‘in je eigen taal’ en die bestaat momenteel uit verkleinwoorden en korte zinnetjes (‘wanneer komt ge’), die over het IJ heen en weer zoeven, behalve in het donker, dan zeggen we meer, meer lettergrepen, langere zinnen, donker verdraagt eindeloosheid, en met de rug tegen de muur in de keuken, waar gas is, vuur, muziek – en als ze kookt ben ik gelukkig, dan zwijg ik.

Ze appt nog een keer.

Homo loquax, man speaking (Tom Wolfe).

Onze zoete woordjes liggen in een boerderij in Utah, biggetjes die zichzelf vetmesten. Liefde voedt zich met die woordjes.

Bittere woorden moeten nog volgen.

Je moet niet voortdurend van tijd en ruimte wisselen, dan maak je iemand wagenziek. Zonder herinnering is elk vertellen vlak. Het geheugen levert wat eerder opgeborgen werd. Geef dimensie, reliëf, context, just a glimpse of that past might be enough. Die eerste busreis, vanuit IJmuiden, in een krappe anderhalfzit voorin, die bus, de ik die ik was, kon het hobbelen door die grijze, lege, nietsontziende straten met doofstomme etalages verdragen, het kon niet lang genoeg duren.

Je fabriceert een ontstaansmythe.

Niet het universele? Een wolk, een boom, een berg die er nog staat als wij er niet meer zijn, onze armen stijf.

It might be enough, een glimp, wanneer ze vertelt dat dat, en dat, en dat, de zachtheid van haar oorlelletje aangevuld met woorden.

Het is nu terwijl ik dit vertel.

Ik spray door het huis met vlooienspray en trek de deur achter me dicht.

Eiwitten stapelen.