De wereld begrijpen is hem op zekere afstand krijgen, schrijft Karl Ove Knausgård in het boek, waarin ik steeds niet begon. Hij schrijft dit op bladzijde drie of vier of vijf, en als dit later aan de orde was gekomen was alles anders geweest, maar het is niet later aan de orde gekomen, ik zit in de trein naar Antwerpen, sla het open en lees het. Wat te klein is om met het blote oog te zien, zoals moleculen atomen, vergroten we, wat te groot is, zoals wolkenformaties, rivierdelta’s, sterrenbeelden, verkleinen we. We fixeren het, we noemen het kennis. Het verhaal heeft een fantastische eerste bladzijde. Het hart zal op een dag stoppen met pompen.

De kip die Koen van Mechelen maakte is grotesk groot, een wit monster. We staan erbij en kijken ernaar, hij domineert de kooi, in taal kan dat. De kip is een wandelend aanplakbiljet voor hard en veel fokken, voor kruisen van rassen, voor rationaliteit. De kip heeft zoveel vlees dat het moeiteloos twaalf monden kan voeden. Het voelt als verspilling dat dat niet zal gebeuren: dit is een kunstkip in een kunstkooi op een echt industrieterrein naast een echte snelweg. De kip is trots, loopt rechterop dan wij. We proberen de wereld te begrijpen. Er hingen twee bordjes op de kooi: Mechelse Redcap en Jersey Giant.

Als je de dingen niet op de juiste afstand krijgt, kun je twee dingen doen, ik kies voor de schrijver, de kip-als-methode beangstigt me. Kooi na kooi na kooi, steeds twee, drie kippen. Hij nam een besluit, hij doet het gewoon, dit komt ervan. Er valt niets te begrijpen. Kunst jaagt schrik aan. Het jagen op de kuikentjes uit het project verloopt niet soepel. Zoes staat aan de achterkant van een kooi, ik lig met mijn camera klaar, ik probeer de kuikentjes te lokken door stil te liggen, niets te doen. Daarbij had ik niet gerekend op bossage in de hoek van de kooi, rietstengels, hoog gras, waar de moederkip heenstuift, twee kuikentjes in haar kielzog.

Die kuikentjes – daar heeft het project van Koen van Mechelen proporties die te behappen zijn voor de zintuigen. De gevolgen lijken niet te bestaan, ik hoef niets door te denken, het gaat vanzelf. Ik vang een glimp op, een kosmopolitische schittering, geen superkip die kraaiend uit een kooi barst. Ik geloof nu in gebeurtenissen. Dit was een schokkende gebeurtenis. We joegen de kuikentjes schrik aan. Gepiep. Het idee dat almaar grotere kooien nodig zijn heeft iets grotesks, net als die kip zelf. De wereld aankunnen is hem op juiste afstand krijgen.

Er was een derde kunstenaar, een man van middelbare leeftijd, met een vermoeid gezicht, in steeds andere kleding. Hij filmt alles wat hij doet, in spiegelende bollen die hij boven zijn hoofd laat vliegen. Hij had de zolderkamer uit zijn jeugd nagebouwd. Het was fantastisch. Je moest er met een laddertje naar toe klimmen. Het rook naar hout. Er stond een bed waarin hij gelegen had, dat zag ik op een foto die erbij lag, dat hij erin gelegen had. Het bed was krom, doorgebogen onder zijn gewicht. Nu was het leeg. Die doorbuiging zat er nog. Waarnemingen en gebeurtenissen noemt hij wat hij doet.

(Verbeke Foundation, Kemzeke, Arjen Boerstra, Antwerpen, de dag na The black piece, Ann Van den Broek)