In 2007 zag ik SugarStorm, het afstudeerwerk van Zoro Feigl, in een lokaal van de Rietveldacademie in Amsterdam. Het nam de hele ruimte in bezit: een grote draaiende bak joeg suikerspinrag in het rond. Draden vlogen omhoog, kleefden aan de muur, hingen in Feigls haar, roze plakspul bedekte de vloer, kleefde aan zijn zolen. Feigl stond bij zijn machine. Af en toe schepte hij met een zilveren koffiekan suiker van de vloer en kieperde die in de bak. Ventilatoren deden de rest. De gedachte dat iemand na afloop dit lokaal heeft moeten schoonmaken stemde uiterst vrolijk. Waarschijnlijk was hij dat zelf.
‘Is this art?’ vroeg iemand op YouTube. ‘It’s basically a normal cotton machine that makes a huge mess and hipsters are amazed by it.’ Ik was inderdaad amazed. Toen al waren elementen aanwezig die je terugziet in Feigls latere werk: beweging, centrifugaalkracht, aandrijving, spektakel, iets in gang zetten, oversturen. De dreiging van ontsporing.

Wervelwind
‘Mijn werken zijn vaak groot. Luidruchtige machines die niks maken. Ik ben uit op de manifestatie van kracht. Ik wil dat je iets moois ziet, iets esthetisch. Maar ik wil je ook beangstigen.’ Drie jaar na SugarStorm hangt Zoro Feigl een roterend, flapperend dekzeil in een oude industriehal in Amsterdam-Noord. Het zeil zwiept om zijn as, aan een ketting, het golft boven de opeengepakte kunst van anderen. Het zeil lijkt te zweven. Eenmaal tot stilstand gekomen heeft het de vorm van een grote, geplooide, groene lampenkap. Sommigen vergelijken het werk met een opwaaiende zomerrok. Het zeil heeft een diameter van negen, tien meter. Feigl houdt van die schaal. Zijn werk is monumentaal. ‘Dit is nu de Nederlandse beeldhouwkunst,’ schrijft het persbericht.

Poppy
Bij de Verbeke Foundation hangt sinds 2012 een rode variant genaamd Poppy. ‘Alleen al voor de gigantische klaproos van de Nederlander Zoro Feigl is Kemzeke deze zomer de reis waard,’ schrijft de Standaard lovend. ‘Het geluid van het wapperende zeil, het licht dat zijn weg zoekt in de wervelende plooien en golven. Groots, passioneel en breekbaar zoals alle ware kunst.’ Het is om de hoek zegt Feigl, die blij is dat Poppy een min of meer permanente plek heeft gekregen. Het werk hangt er goed. Feigl houdt ervan dat bij de Verbeke Foundation alles door elkaar hangt, kunst en kitsch. De dingen daar stralen uit dat het tof is om iets te maken.

Slang
Feigl krijgt inmiddels uitnodigingen uit allerlei landen om te komen werken. Vorig jaar verbleef hij zes maanden aan het Institute for provocation in Beijing. Op een markt vond hij een blauwe tuinslang, die hij meebracht naar Nederland, nu te zien op zijn solo in MU. Het is de X Hose, een wonderbaarlijk ding dat zodra je er water doorheen laat lopen meters uitrekt en zodra je de kraan dichtdraait zichzelf op miraculeuze wijze invouwt. Ik herken de slang van Tell-Sell. ‘Ik kom terug uit China en iedereen vertelt me dat ze die slang van Tell-Sell kennen,’ zegt Feigl. ‘Ik heb geen televisie. Ik was geboeid door het materiaal, door de vreemde beweging.’ Zo werkt hij bijna altijd, vertelt hij. Hij vindt materiaal en dat probeert hij in beweging te krijgen. Blijven verzamelen is zijn motto. De X Hose laat hij overigens niet vollopen met water, hij blaast er lucht doorheen.

Lussen en loops
Op de vraag hoe het werk met de X Hose heet, blijft Feigl het antwoord schuldig. Hij moet een tijdje met zijn machines leven voordat ze een titel krijgen. Niks heeft nog een titel, behalve de expositie zelf: Chasing The Tail. Die titel verraadt één van zijn fascinaties, een voorliefde voor de lus, de loop, de cirkelbeweging. Feigls loops zijn nooit perfect rond of geometrisch, de beweging is altijd excentrisch, uit het lood, er is iets, een impuls, die de beweging verstoort, een geleider die een paar graden schuin staat, of een vloer waar materiaal tegenaan slaat. De beweging (en dus vorm) is altijd onvoorspelbaar. De ene keer kronkelig, de andere keer klaterend.
Dat is goed te zien bij de lussen die in MU hangen. Feigl maakte van één gesloten lus die met denderende vaart langs een velg jaagt vier variaties. Ze hangen in één lijn, vier-op-een-rij. De paramaters zijn hetzelfde, maar door verschillend materiaal te gebruiken, de ene keer een kunststof strook, de andere keer een luchtslang, en door verschillene omstandigheden (wel of geen contact met de vloer), realiseert hij vier verschillende effecten. Zo slaat één lus voortdurend onrustig tegen de grond en hangt een ander in trance te bungelen. Soms raakt een lus in zichzelf verstrikt en kronkelt hij omzichzelf omhoog. De lussen zijn tot leven gewekte slangen.

A long and winding road to nowhere in particular
In MU staat ook een uitvergrote versie, een iteratie, van een werk dat eerder te zien was in Smart Project Space, A long and unwinding road to nowhere in particular. Dat was een klein machientje op vier wieltjes dat zich een weg baande door een kale ruimte. Het volgde een lang groen kunststof lint, een strook zonder begin en einde – weer een gesloten lus – die er ongeveer tien minuten over deed om uit te komen waar het begon. Het machientje was een dier, zijn gedrag werd bepaald door de omstandigheden. Aan de voorkant slokte het het groene lint op, aan de achterkant poepte het het lint weer uit. Het kon onmogelijk ontsnappen. Het machientje moet bewegen, het moet vooruit, het lint moet kronkelen (symbiose). Soms stagneerde het, ervoer het weerstand van de vloer en stugheid van zichzelf, maar altijd ging het voort.

Feigl wilde dat je dit werk fysiek kon ervaren, dat je er middenin kon staan en dus maakte hij een enorme versie in de ruimte van MU, een doolhof. Wanden van golfplaat reiken tot je middel. Een machine met grote rollen zet die wanden in beweging. Het kraakt en knarst. Onvoorstoorbaar legt het de ‘long and winding road’ af. Het effect is minder betoverend, minder ‘af’ dan de eerdere, kleine, groene versie. Feigl vecht nog met het materiaal. Het breekt uit aan de rand. Hij duwt de wanden steeds naar binnen. Hij zoekt nog naar het beheersen van de krachten, het plooien van de ruwe energie.

Ook de dikke groene kronkelende buis die zich opricht en steeds neerploft, is eigenzinnig, vol strijdlust. Het materiaal heeft een eigen wil en stijfheid. Feigl is er nog niet klaar mee, hij worstelt er nog mee. Als hij er met bepaalde ogen naar kijkt ziet hij een soort achtbaan, het motortje als karretje. Als je wil kun je de machine, de ruimte, de lus, het steeds weer uitkomen bij een begin, als een metafoor zien voor Feigls praktijk, zijn kunstenaarschap. Eindeloos kijken hoe iets beweegt, ingrijpen, maar zelf ook gegrepen worden. Nutteloze machines maken, die onvoorspelbare vormen produceren, steeds opnieuw. Ook die onvoorspelbaarheid kun je opvatten als een metafoor. Je weet nooit wat Feigls gaat doen. Dan komt hij bijvoorbeeld ineens met een grote zeecontainer, die heen en weer wiebelt. Zijn werk wordt gekenmerkt door een ongelooflijke helderheid. Je ziet altijd hoe het zit, en toch ontsnapt iets. Alsof de dingen, gevangen, uiteindelijk toch hun eigen gang gaan, een vrijheid vinden.

Tovenaarsleerling
Twee dagen na de opening in MU, gevraagd naar waar hij nu mee bezig is, vertelt Feigl dat hij een partij tweedehandse industriële waterzakken op de kop heeft weten te tikken, bedoeld om in zeecontainers vloeistoffen mee te vervoeren. De transportsector beschouwt het als wegwerpmateriaal, zo’n zak schoonmaken is duurder en omslachtiger dan een nieuwe aanschaffen. Met deze enorme zakken – een soort enorme waterbedden van 10×10 meter – is hij in zijn studio aan het experimenteren. Kijken hoe het materiaal reageert.
Zoro Feigl brengt in zijn werkplaats levenloze dingen tot leven: plastic zakken, emmers, touwen, buizen, slangen, stalen kettingen. Ruimtes gaan ademen. Dingen krijgen de geest. Op de achtergrond heerst altijd het enigszins ongemakkelijke gevoel dat de controle over de opgewekte krachten niet helemaal bij Feigl ligt. Dan ontstaat er een situatie, die beter is dan bedacht. Als hij zelf tien minuten naar zijn werk kan kijken en kan denken, ik wil nóg wel een half uur blijven kijken, is het goed.

#MUTXT