Herinnering, vers. We wandelen naar de IJ-kantine. Slauerhoff op de muur. De zee, hoe diep en hoe ver, is zijn ontastbaar gebied. Slagregen. Is hij een romanticus? Of de storm buiten? We zitten aan het raam. We zijn drie keer gaan verzitten. Het restaurant is leeg. We wachten. Prikken in olijven zo groot als een walnoot. We bestellen twee keer soep. Zij stuurt de hare (pompoen, hazelnoten) na één hap terug. Elke gebeurtenis lijkt betekenis te hebben. Wat smaakt op de dag waarop iemand sterft? Doe maar linzen – het moeilijk uit te stane gebrek aan aandacht bij het bereiden, is pompoen geproefd? De wind die tegen het raam beukt. Het gedicht op de muur, stemmig. Afwezigheid van mensen. Alsof de wereld een kloppend decor is bij een abstractie, de willekeur van de dingen gekrabt. Pathetic fallacy noemt John Ruskin deze respons. Mijn gemoedstoestand die ik projecteer op levenloze dingen. Maar is dat werkelijk een valkuil? Als omgeving, omstandigheden invloed hebben op het gemoed (vandaag eindelijk een sprankje licht na vijf dagen storm en regen, code geel) kleurt gemoed dan niet de wereld? Het op elkaar afstemmen, de wereld buiten in sync brengen met de wereld binnen lijkt me het functioneren van emoties, geen feilen. Gedachten dwalen niet af, gravitas houdt ze bij ons, ze cirkelen. Herinneringen maak je voor de toekomst, lees ik in een boek over het geheugen. Alles in me hergebeurt zodat ik door kan. Dus vliegt een vogel weg, een meeuw, het IJ over, tegen de storm in. De moeite waarmee het gaat bestaat. Ze gaat.