Autorijden is sociaal, ik sta samen in de file, op hetzelfde stukje aarde, een smalle strook grijs, bots tegen elkaar, verblind door elkaars koplampen. Kijk binnen bij de anderen die hun haar kammen in het spiegeltje.

Er is waar ik rijd geen wijde vlakte, geen ships that pass in the dark, zoals toen ik in de Verenigde Staten naar het zuidwesten reed. Waar ik woon, op één zeemijl afstand van de autoring, geen voice, then darkness again and silence.

De stad wordt ingesnoerd.

Sommige handelingen verricht ik zo weinig dat ik ze steeds opnieuw moet ontdekken. Hoe het horlogebandje opent: het lijkt te flappen als het wiplipje van een frisdrankblikje, maar dat lukt pas nadat ik twee zijpalletjes induw en ik begrijp niet waarom ik juist dat steeds vergeet.

Ik kijk naar Persona van Bergman, terwijl het schemert en zwartwitter wordt alsof de omgeving zich aanpast aan de film. Ik herken iets. Ik zit stil als communicerend vat, als complementair wezen, zoals Liv Johanne Ullmann zwijgt en Berit Elisabet Andersson praat.

Wikipedia vertelt dat Bibi, de prater, vorig jaar dood is gegaan. De zwijgzame leeft nog. Ze zijn samen één, een freeze in de film, Liv is ongetwijfeld ook voor een deel gestorven.

Larvatus prodeo, schreef Descartes. Gemaskerd ga ik.