Ze geeft me twee boeken waarmee ik de tijd kan doden, een essayachtige roman over een restaurator (prozagedicht) en een bevreemdend, brokachtig, braakballend boek over rouw.

Het eerste ontroert me. Het staat vol potloodstrepen (hele zinnen), bevat aantekeningen en uitroepen in de kantlijn, en boven- en onderaan de bladzijden. Ze heeft de randstilte van het boek gevuld met haar gedachten, de stroken wit rond de woorden bedekt met haar geest.

Blijf niet hangen in gevoel, reageer, stuw voort.

Op pagina 71 heeft ze er genoeg van. ‘Kan het ook teveel worden, de beelden?’

En op pagina 83 (van de 109) stopt het.

Ik moet denken aan een rondstappend paard dat plots genoeg heeft van het trekken van trage cirkels in een manegebak. Het hoofd schuin trekt.

Waar is het hoefgekletter? De horizon? De zee?