Ik ben het liefst in mijn huis, waar ik zittend voor mijn raam geen andere huizen zie, en ook geen andere mensen. Het liefst doe ik niets, maar dat is ook niet mogelijk – A.L. Snijders
Het kan Amsterdam niet schelen hoe ik me vandaag voel, ik ben één van 942.504 inwoners, ik sta op, fiets 10.1 kilometer, steek onderweg het IJ over, stal mijn fiets in het rek ‘buitenformaat fietsen’ in een kelder aan de Wibautstraat. Na 400 meter passeer ik een tankstation (2.11 euro/liter), na 4 kilometer Hondenkapsalon Champ, een houten gebouwtje bij een woonboot aan Zijkanaal 1, een vertakking van het IJ. We leven in een land met ‘grote ramen, korte tuinpaden’ (Ester Naomi Perquin) maar in Amsterdam-Noord zijn die paden vaak zo kort en staat alles zo dicht op elkaar dat tuinen afwezig lijken. Hondensalon Champ is het eerste punt op mijn fietstocht waarvan ik denk, een leven aan huis in dit huis met dit hondentrimgebouwtje erbij lijkt me heerlijk. Het rood knalt van de deur, vol in de verf, niks geen bladder, dikke romige lak, geen groene algengroei, ook niet dat Zaanse groen wat je hier overal ziet. De honden komen naar haar toe. Honden hebben veel haar om te knippen (een knipbeurt duurt al gauw twee uur, de hond moet vantevoren goed uitgelaten zijn). Op de website poseren twee honden met leuke kleurige mutsjes. Ze verkoopt ook hondentuigjes en diverse jasjes. Wat mensen precies achter hun deuren doen weet ik niet, ik ken hun stand van zaken niet, de toestand. Hondenkapsalon Champ, Karin, doet dit werk al sinds 2004, nog steeds met plezier en liefde. Het bijna-uur in de ochtend waarop ik naar werk fiets en de vogels fluiten is het minst vervelende moment van de dag, ik voel me één van 942.504. Op de dagen dat ik niet uit huis hoef voel ik groot geluk. Ik doe dan niets, maar ook dat is niet mogelijk. Sinds we in steden wonen is het leven ploeteren, het bestaan gezwoeg, zijn de problemen begonnen (ziekte, honger, ongelijkheid). Daarvoor leefden we in het paradijs, nomadisch. Ik heb moeite om de dagen – ze lijken op elkaar – te eindigen, ze lopen almaar door, ik loop noodgedwongen mee, ‘mijn mond staat altijd open’.
[bij het lezen van Nederland, een objectief zelfportret in 51 voorwerpen, Haringkar (A.L. Snijders) en Kruimeldief (Ester Naomi Perquin), Tijgerkat (p. 10), Het Oerboek, kijken naar Rumba II: Nomad (2015) waarin Cao Fei cirkelvormige robotstofzuigers loslaat op wat er over is van een tot puin vervallen stedelijke omgeving, de plek waar ooit haar atelier stond]