Ik streef ernaar van ongeacht welk onderwerp een heldere, ordelijke, harmonische, geslaagde vertelling te maken. Maar de onharmonische herrie in mijn hoofd blijft, ik weet dat de bladzijden die mij uiteindelijk overtuigen boeken te publiceren daarvandaan komen. Wat mij redt – maar redding heeft niet veel tijd nodig om ondergang te blijken – is misschien dat onder de behoefte aan orde een energie is blijven bestaan die wil belemmeren, verwarren, teleurstellen, fouten maken, falen, bederven. Die energie trekt me nu eens hierheen, dan weer daarheen. Schrijven is voor mij in de loop van de tijd echt het vormgeven geworden aan een permanent evenwicht bewaren/evenwicht verliezen, het inkaderen van fragmenten en wachten om ze door elkaar te gooien. Zodoende begin ik pas tevreden te zijn over een liefdesroman als het een roman over vervreemding wordt. En begint een detectiveroman mij te boeien als ik weet dat niemand zal ontdekken wie de moordenaar is. De bildungsroman lijkt me op de juiste weg als het duidelijk is dat niemand zich zal ontwikkelen. Het mooie schrijven wordt mooi als het zijn harmonie verliest en de wanhopige kracht van het lelijke heeft. En de personages? Ik ervaar ze als onwaarachtig als ze transparant en coherent zijn, en ze raken me als ze het een zeggen en het tegenovergestelde doen. ‘Het mooie is lelijk en het lelijke is mooi,’ zeggen die buitengewone vertelsters, de heksen van Macbeth, terwijl ze zich gereedmaken om door de mist en de vuile lucht te gaan zweven. Maar hierover en andere zaken de volgende keer — Elena Ferrante, De pen en de pijn (In de marge, vert. Marieke van Laake)