Paul Sebes, Bestseller:

  1. lees veel goede boeken
  2. verdiep je in het boekenvak
  3. wie ben je als schrijver: ken jezelf
  4. wees authentiek: schrijf vanuit een innerlijke noodzaak
  5. schrijf schaamteloos
  6. construeer de werkelijkheid (dit is onvermijdelijk)
  7. verwacht niet te veel: geduld en zuinigheid zijn geboden
  8. bedenk wat je wilt schrijven
  9. je naasten liegen (feedback, kritiek, advies)
  10. wees reëel: schrijven is een leuke hobby
    [WEET WAARAAN JE BEGINT]
    [BEGINNEN]
  11. schrijven is talent en training
  12. rust en ruimte zijn essentieel (begin en blijf zitten)
  13. neem impopulaire maatregelen thuis
  14. het onderwerp hoeft niet origineel te zijn
  15. weet wat je schrijft en ken je genre
  16. kies een duidelijke vorm
  17. wees geloofwaardig door research (archiveer goed)
  18. gebruik het decor als smaakversterker (verzin details niet)
  19. ken de periode waarover je schrift (gevoel, sfeer, decor)
  20. ‘er mag geen mus van het dak vallen’ (thema, motieven)
  21. wie vertelt het verhaal: het perspectief – auctoriaal (alwetend, meestal ik-vorm) – ik-verteller (verteller en hoofdpersonage) – personale verteller (verteller ‘niet aanwezig’)
  22. waar draait het verhaal om: het hoofdthema; als je het niet bij het thema houdt ga je zwalken
  23. subthema’s
  24. welk conflict ligt ten grondslag aan de dynamiek van het verhaal? versterk de omstandigheden die zorgen voor conflict en drama: schrijven is verleiden, of om de tuin leiden, doe dat subtiel, sleur de lezer niet aan de haren de grot in
  25. laat je hoofdpersonage(s) leven (beperk karaktereigenschappen, grote personages zijn fanatiek, zwakte)
  26. verwaarloos je andere personages niet (maar voer ze alleen op als ze een functie hebben)
  27. ken je personages
  28. werk naar een climax toe: de plot
  29. denk de verhaallijnen uit (kan ook gaandeweg, maak notities)
  30. jij bent de regisseur, niet je schema; jij bepaalt wat er vandaag gebeurt. Manon Uphoff: ‘vastzitten betekent niets, verdergaan, veranderen, schrappen, teruggaan, uitzoeken waarom je vastzit, betekent wat, niemand komt je redden tijdens het schrijven’
  31. begin simpel: het mooie komt vanzelf, maak het niet ingewikkelder dan nodig is, stel je open, laat dingen binnensluipen (Christine Otten)
  32. gooi weg en begin opnieuw
  33. wat is je boodschap? wat wil je met je boek?
    [HET SCHRIJVEN ZELF: EINDELIJK AAN DE SLAG]
  34. wees consequent en consistent (namen, perspectief)
  35. structureer je verhaal
  36. stijl: meer variatie met minder woorden
  37. spanning: stap voor stap afrollen (ook bij een niet-thriller), vooruitwijzingen, wees de lezer een stap voor
  38. sfeer: beroer alle zintuigen
  39. show, don’t tell
  40. vermijd mooischrijverij en archaïsch taalgebruik
  41. haal het beste uit dialoog (zegt ze, zegt hij)
  42. zoek steeds iets nieuws: vermijd clichés
  43. metaforen zijn valkuilen
    kommaplaatsing (Herman Finkers)
    — Hans zei, Grietje, ik trek mijn jurkje aan — Hans, zei Grietje, ik trek mijn jurkje aan
  44. schrap bijvoeglijke naamwoorden < attributief, predicatief
  45. leg je werk langs de literaire meetlat
  46. gatver, het leest als een trein: literatuur wil verwarren, verontrusten, tot nadenken stemmen, je moet er moeite voor doen