Bijna alle angsten die Dorien de Wit in Heim, of het verhaal van mijn duizeligheid benoemt – lijst na lijst – herken ik, ze getuigen van een overactieve geest in een entropisch lichaam, de boel integreren is een hels karwei, er springen voortdurend kikkers uit de mand en ooit stopt alles (het kloppen van het hart, het inademen van lucht) — behalve die van vlinders, Dorien de Wit is bang voor vlinders, al verbaast ook dat niet wanneer ik me een uitspraak van Sylvia Boorstein voor de geest haal: alles wat je meemaakt is een mogelijkheid om het lijden in het leven te roepen. 

Ik bezit een vierkant plat metalen doosje, gemoffeld, het meest luxe en scifi-ogende apparaatje dat ik bezit. Het doosje bevat geen knoppen, alleen een gleuf, waar een dvd in gaat. Na de dvd er een klein stukje ingestoken te hebben neemt het doosje het over, een verder duwtje geven is niet alleen onnodig, het is ongewenst, alles gebeurt vanaf dat moment zoevend en zoemend, glad en frictieloos, technologisch-utopisch. Zo clean als dit proces verloopt (automatische geluidloze schuifdeuren), zo goor en bruin en donker en mysogien en misselijkmakend en vol zweet is Werner Rainer Fassbinders Berlin Alexanderplatz. We kijken deel 1, ik betracht esthetische distantie, blijf op een afstand (meesterwerk!), tot ik de drek en modderstroom niet langer trek: het slaan en vermoorden en verkrachten en zichzelf opdringen. Discmannetje biedt 87 eurocent voor de box waarvan ik 5 schijfjes onaangebroken laat. Voor twee eieren ben ik hiervan af. Als een straaljagerpiloot lanceer ik mijn schietstoel, duw op ‘eject’, een volkomen digitale handeling, een bruusk uitspuwen. Je moet je aanpassen, zegt Franz Biberkopf. Hij belooft beterschap. Het is 1929. Hitler moet nog komen. 

[bij het lezen van Dorien de Wit en het kijken naar Berlin Alexanderplatz]