Ik las Pincher Martin van William Golding. Over een man die, nadat zijn schip is getorpedeerd, midden op de oceaan op een rots klimt. Een paar meeuwen, een geultje met regenwater, zeewier en mosselen; meer is het niet. Als hij uit het water klimt is hij verkleumd en geradbraakt. Hij hallucineert. Heel langzaam komt hij bij zinnen. Hij vindt drinkwater, eet een paar kleine anemonen en mosselen. De kunst is om niet gek te worden. Daarom praat hij hardop. De woorden geven hem identiteit. Bovendien heeft hij de gave van gedachten. Hij als enige. Want al het andere – de wind, de rots, de kou; de werkelijkheid waarin hij bestaat – heeft dat niet. ‘I know you, wetness, hardness, movement. You have no mercy but you have no intelligence. I can outwit you. All I have to do is endure. I breathe this air into my own furnace. I kill and eat.’
Gedachten en woorden, die zijn belangrijk. De rots tot zijn land maken. Inventariseren en kaderen. Ordenen. Aan hem onderwerpen door er namen aan te geven. ‘I call this place the Look-Out,’ zegt hij, en wijst naar een hoog stuk rots vanuit waar hij een goed uitzicht heeft. Dan wijst hij naar de losse rotsblokken waarmee hij een soort mens-vorm heeft gebouwd, zodat een schip van ver zal zien dat er intelligent leven is: ‘That is the Dwarf.’ Het stuk waar hij voor het eerst aan land kwam noemt hij Safety Rock. De plek waar hij zijn mosselen oogst noemt hij Food Cliff. Van een vreemd, vijandig stuk steen verandert de plek in zijn territorium. ‘I am netting down this rock with names and taming it. What is given a name is given a seal, a chain. If this rock tries to adapt me to its ways I will refuse and adapt it to mine. I will impose my routine on it, my geography.’
Dat was precies hoe ik het moest doen met mijn tussenhuisje, een plek van verwarring en onzekerheden. Ik moest het me eigen zien te maken. Niet alleen het tussenhuisje. Het leven zelf — Henk van Straten, Berichten uit het tussenhuisje
[Je het leven zien eigen te maken, de rots waarop je aanspoelt temmen met taal]