Twee egaal roodbruine koeien en één egaal zwarte koe liggen op een klont op een weiland, als een uit de kluiten gewassen massa slapende puppies, de koppen in elkaars flanken gestoken. Het is snikheet. Ze liggen in elkaars schaduw, als op een onmogelijke prent van Escher. Thuis lees ik Elena Ferrante die schrijft dat het visioen dat noopt tot schrijven vervaagt zodra je in het heden de letters achter elkaar zet. Klopt, de klont koeien met hun egale kleuren (zo ken ik koeien nauwelijks, zonder dat schonkige, een drietal dat één omsloten ontoegankelijk geheel vormt) vormde een visioen, en al schrijvend lost het visioen op, krijg ik het niet op papier. Terwijl de letters zich in feite snel en dwingend aaneenrijgen, vlucht het visioen weg en is schrijven steeds gedoemd tot ergerlijke onnauwkeurigheid, schrijft Ferrante. Het ergerlijke is ook dat je niet genoeg hebt aan het visioen.

[epiloog: Ik zou willen dat elk weiland één nutteloze boom bevat, zo krom en knoestig dat niemand er takken of planken van wil]