Arles, 16-20 juni 1888 — Lieve Zuster, wel bedankt voor uw brief waarnaar ik reeds had verlangd, ik durf mij niet naar mijn gevoel te laten gaan om U dikwijls te schrijven of dit uit te lokken uwerzijds. Al die correspondentie draagt niet altijd bij om ons die zenuwachtig van gestel zijn krachtig te houden in gevallen van eventueele onderdompelingen in de melankolie van de soort die ge noemt in uw brief en die ik zelf zoo nu en dan ook heb. Een kennis van me beweerde dat le meilleur traitement pour toutes les maladies c’est de les traiter avec le plus profond mépris – Vincent van Gogh
Waar G.L. van Lennep met vreugde een nieuwe tube tandpasta aanbreekt, nee, correctie, hoe hij zich verheugt, zich verkneukelt bij de gedachte dat morgen de dag zal aanbreken voor een nieuwe tube tandpasta, laat hij veel dingen ongebruikt, onaangebroken. Soms wel jaren. Ook ik bezit zulke dingen, bijvoorbeeld een prachtig blankhouten kistje olieverf: tubes, kwastje, olie — sinds mijn jeugd onaangeroerd, heerlijk scherp geurend, ik weet niet waar het zich bevindt, of het is meeverhuisd naar Amsterdam, waar ik woon aan de andere kant van het water, in een stuk dat lijkt op een dorp en voelt als Holland (thuis heb ik nog een ansichtkaart waarop een koe, een gans, een sloot, een poldertje en een dijk) — weinig Amsterdammig, waardoor ik weliswaar in Amsterdam woon, en dat mezelf ook met een zekere trots verkondig, elke ochtend als ik wakker word, maar Amsterdam – dat mythische wezen van water en steen en houten palen – blijft een raadsel. Als ik op de pont stap kan ik de Van Goghs zien, ze hangen op hemelsbreed minder dan tien kilometer bij me vandaan, ze hangen onaangeroerd. Ik lig op mijn rug, kijk door het hemelsblauwe vierkant dat is uitgespaard in het dak, luister een podcast: schrijvers lezen Van Goghs mooiste brieven. Wie door een raam kijkt ziet het raam niet.