{"id":70762,"date":"2026-08-06T06:27:00","date_gmt":"2026-08-06T06:27:00","guid":{"rendered":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/?p=70762"},"modified":"2026-08-06T07:24:46","modified_gmt":"2026-08-06T07:24:46","slug":"my-own-private-wikipedia-wessel-te-gussinklo","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/my-own-private-wikipedia-wessel-te-gussinklo\/","title":{"rendered":"my own private wikipedia: wessel te gussinklo"},"content":{"rendered":"\n<p><br>Tempo, toon, spuien, ratelen, zeer levendig proza waarbij alles toch klopt. In een interview heeft C\u00e9line ooit gezegd dat zijn vertelstijl op het eerste gezicht uiterst makkelijk lijkt, ook om te schrijven, maar dat hij er uiterst lang over gedaan heeft al die puntjes op de juiste plek te krijgen. Om het proza het juiste ritme te geven. Aan zulke ontboezemingen heb je niks, maar het wonderlijke is: als je dit zelf probeert te schrijven, dan lukt het niet. Dan haperen de zinnen, al zouden ze eigenlijk steeds moeten doorgaan en met elkaar in verband staan.<br>Het enige wat me echt tegenstaat zijn de uitroepen &#8216;Ach!&#8217; en &#8216;Ik kan er niet meer tegen&#8217;, zeurderig geschreeuw dat me doet verlangen naar een verteller die even ademhaalt, die zich vermant, die zich bewust is van een eventuele toehoorder en die in plaats van zijn stem te laten doordenderen en aandacht vragen even wat ruimte aan de lezer biedt.<br>Dat heeft met mijn afkomst te maken. Lekker vertellen is in mijn Brabantse polder iets anders dan daarbuiten, zoals in het Frankrijk van ruim honderd jaar geleden.<br>Die declamerende zinnen met ach-en-wee-uitroepen doen me direct denken aan de romans van Wessel te Gussinklo, die ik vooral met verbazing las. Hij voert geen ik-verteller op in Op weg naar De Hartz, maar een zeer aanwezige derde persoon. Die hoofdpersoon Ewout Meyster vertelt op weg naar een landgoed het volgende:<br>\u2018Andere woorden vinden, iets anders zeggen; iets vragen, zodat die chauffeur\u2026 &#8211; ja wat &#8211; zodat hij opkeek, reageerde; vriendelijk glimlachend, herkennend en waarderend (maar welke woorden, wat nog te zeggen), en hij gesterkt door die reactie, na die herkenning, die waardering, al reeds geoefend haast door dit gesprek, op het landgoed aan zou komen bij al die krachtige, zekere vreemden &#8211; leraren, docenten, professoren, die elkaar lachend begroetten, en bij elkaar stonden, samengebald in zichzelf, als achter een wal van zekerheid kijkend en pratend. Nee meer nog, over die wal heen kijkend en pratend. En hij zou zich daar dan aansluiten met de goede woorden, de juiste gebaren en houdingen, ongedwongen en moeiteloos; geoefend al in de bus met die chauffeur en nu als vanzelf voortgezet.\u2019<br><br>De lezer zit niet in de bus naast Ewout, de lezer zit in het hoofd van Ewout, of eigenlijk in het hoofd van Te Gussinklo, want dit zijn de woorden van een schrijver die evenzeer in paniek is als zijn vertellende personage.<br>Ik begrijp de waardering voor Te Gussinklo&#8217;s proza, ik heb alleen moeite in deze bus te stappen en naast deze verteller te gaan zitten. Gelukkig kon zijn uitgever, die ik regelmatig zie omdat we een stamkroeg delen, me verklappen dat alles wat Te Gussinklo schreef ironisch is. Zo had ik zijn werk nooit gelezen. Ik was in iedere zin op zoek naar rust, naar een kalme beschrijving zonder twijfel, naar lucht. Ik zocht naar iets wat ik in Te Gussinklo&#8217;s werk nooit kon vinden, dus ik zat helemaal op het verkeerde spoor.<br><br>In het tweede hoofdstuk van De vanger in het graan begint verteller Holden Caulfield zo: &#8216;Ze hadden beiden hun eigen kamer en zo. Ze waren allebei zeventig jaar oud, of nog meer. Maar ze konden nog warmlopen voor bepaalde dingen, op een halfbakken manier natuurlijk.\u2019<br>Van de toevoegingen &#8216;en zo&#8217;, &#8216;of nog meer&#8217; en die \u2018halfbakken manier&#8217; krijgt iedere lezer een glimlach om zijn mond. Daarom is Holden Caulfield een lekkere verteller.<br>Deze voorbeelden geef ik in de hoop dat jullie vertellers gaan analyseren door te lezen.<br>Mijn favoriete derde-persoonsvertellers zijn Hemingway, Voskuil, Proulx, Steinbeck, Wolkers, Mc-Carthy, Haruf, Vann, Vlautin en Terrin. Tien schrijvers met allemaal een flink oeuvre, dat geeft leesstof voor zo&#8217;n honderd boeken. Zoek ze op, neem ze tot je. Vergeet ook het eerdergenoemde Misdaad en straf van Dostojevski niet [\u2026]<\/p>\n\n\n\n<p>stem: jan van mersbergen<\/p>\n\n\n\n<p>titel: huiswerk, waarin de beste manier om schrijven te doorgronden aan bod komt<\/p>\n\n\n\n<p>perspectief: een nieuwsgierige overdenking over proza, vanuit het idee: verbeelden, schrijven en lezen zijn werkwoorden \u2014 een actieve bezigheid (achterflap). Als ik in proza moet zoeken naar aanknopingspunten (Waar gaat dit over? Wie vertelt dit? Waar zijn we?), dan haak ik snel af. Dat zoeken vind ik moeilijk. In de workshops geef ik altijd aan wanneer ik in verhalen op zoek moet naar plaats, tijd, personages. Ik ben een lezer die houvast nodig heeft, geen lezer die gebaat is bij chaos.<\/p>\n\n\n\n<p>bron: berichten uit het washok, literaire en praktische schrijftips (2024, cossee)<\/p>\n\n\n\n<p>mopw: meerstemmige encyclopedie<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Tempo, toon, spuien, ratelen, zeer levendig proza waarbij alles toch klopt. In een interview heeft C\u00e9line ooit gezegd dat zijn vertelstijl op het eerste gezicht uiterst makkelijk lijkt, ook om te schrijven, maar dat hij er uiterst lang over gedaan heeft al die puntjes op de juiste plek te krijgen. Om het proza het juiste<a href=\"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/my-own-private-wikipedia-wessel-te-gussinklo\/\" class=\"read-more\">Read more &raquo;<\/a><\/p>\n","protected":false},"author":1,"featured_media":0,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"footnotes":""},"categories":[18],"tags":[],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/70762"}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/wp-json\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/wp-json\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/wp-json\/wp\/v2\/users\/1"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=70762"}],"version-history":[{"count":11,"href":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/70762\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":70781,"href":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/70762\/revisions\/70781"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=70762"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/wp-json\/wp\/v2\/categories?post=70762"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/wp-json\/wp\/v2\/tags?post=70762"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}