{"id":70068,"date":"2026-04-29T11:41:00","date_gmt":"2026-04-29T11:41:00","guid":{"rendered":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/?p=70068"},"modified":"2026-04-28T10:02:01","modified_gmt":"2026-04-28T10:02:01","slug":"schrijfles-koos-van-zomeren-kernzinnen-en-metaforen","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/schrijfles-koos-van-zomeren-kernzinnen-en-metaforen\/","title":{"rendered":"schrijfles koos van zomeren, kernzinnen en metaforen"},"content":{"rendered":"\n<p class=\"p1\"><em>[Bij het doorbladeren van De scharrelaar, tijdschrift voor lezen (2019, AtlasContact), treft me deze tekst over schrijven. Kernzin: het is niet de behoefte aan metaforen waaruit zinnen ontstaan, het is de behoefte aan zinnen waaruit metaforen ontstaan. De tekst vormt de aanloop naar die zin.]<\/em><\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">Koos van Zomeren is de gekroonde koning onder de natuurschrijvers van Nederland; in 2017 ontving Koos van Zomeren een oeuvreprijs namens de jury van de Jan Wolkers Prijs. In zijn omvangrijke oeuvre wemelt het van de vogels en de meesterlijke metaforen. Een van de meest klassieke Van Zomeren-observaties is te vinden in het bescheiden bundeltje Een vederlichte wanhoop (Arbeiderspers, 1987). Daarin beschrijft Van Zomeren hoe hij een sperwer een spreeuw ziet slaan en ziet verdwijnen, in de richting van een kippenhok, een paardenschuur, een boomgaard of een weilandje. &#8216;Ongetwijfeld had de sperwer daar ergens een beschut plekje gevonden en was hij al driftig bezig van twee vogels \u00e9\u00e9n te maken, schreef Van Zomeren. Het was de aanloop naar die ene bijzondere notie, honderd procent Van Zomeren, en weer een om in steen te beitelen: &#8216;Want dat is alles wat de sperwer voor ogen staat: de wereld vereenvoudigen door haar op te eten.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">Waar komt zo&#8217;n kernzin vandaan? Het lijkt een onmogelijke vraag, maar in het najaar van 2004 deed Van Zomeren een poging tot reconstructie. Hij was toen als gastschrijver verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen en gaf er drie openbare lezingen, over de waarde van het landschap, van dieren en van woorden. In zijn derde college ging het over de sperwerzin. De teksten van zijn lezingen zijn in zeer beperkte oplage verschenen (bij uitgeverij Flanor, onder de titel Dit doet de taal voor ons), maar ze verdienen een groter publiek &#8211; zoals het hele oeuvre van Van Zomeren. Hieronder het bewuste stukje, gevolgd door een ingekorte versie van dat college, te beschouwen als een masterclass over schrijven en het raadsel van het perfecte zinnetje.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">DE SPERWER, DE SPREEUW EN DE SCHRIJVER<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">Je hoeft niet per se naar onherbergzame gebieden of ontaard vroeg je bed uit &#8211; hoewel dat natuurlijk wel de voorkeur ver-dient.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">Het was binnen de bebouwde kom en al kwart voor negen. De Oude Rijn gladgestreken door een laagje ijs, het jaagpad niet echt besneeuwd maar wit uitgeslagen. Het was net koud genoeg om iemand bewust te maken van zijn oren.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">Hoog aan de hemel trokken ganzen (noord, optimisten) en laag bij de grond scharrelde een winterkoninkje. De oude rivier beschreef een flauwe bocht, waarin het jaagpad en de zoom van wilgen en elzen sierlijk meebogen. Daar maakte zich aan de overkant een vogel los uit de schaduw van een theehuisje \u2013 en die ene vogel maakte nog een vogel los.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">Mijn netvlies maakte in de gauwigheid twee opnamen. Op de eerste is de spreeuw nog een decimeter van de sperwer verwij- derd. Bij dat beeld hoort een ijle kreet, zo&#8217;n kreetje dat je ook kunt horen als je &#8216;s morgens de achterdeur opendoet en een vogel opjaagt uit de appelboom. Op de tweede voltooien de vogels de oversteek op \u00e9\u00e9n paar vleugels.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">Naar mijn indruk was de sperwer geen duimbreed afgeweken van zijn vluchtschema. Hij griste de spreeuw in het voorbijgaan, zonder boze opzet mee.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">Verderop, op een bruggetje, bleef ik staan om te zien waar ze gebleven waren. Van links naar rechts: een kippenhok, een paardenschuur, een boomgaard, een weilandje. Ongetwijfeld had de sperwer daar ergens een beschut plekje gevonden en was hij al driftig bezig van twee vogels \u00e9\u00e9n te maken. Want dat is alles wat de sperwer voor ogen staat: de wereld vereenvoudigen door haar op te eten.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">Is het gewoon dat je zoiets binnen de bebouwde kom en op klaarlichte dag ziet gebeuren? Eigenlijk niet. Maar ik laat al langer dan tien jaar dagelijks langs de Oude Rijn mijn hond uit. Het is dus heel gewoon dat er eens iets bijzonders gebeurde. (Uit: Koos van Zomeren, Een vederlichte wanhoop, De Arbeiderspers, 1987)<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">De betekenis van dit stukje, het plezier in het schrijven ervan, is gelegen in die ene zin: &#8216;Want dat is alles wat de sperwer voor ogen staat: de wereld vereenvoudigen door haar op te eten.\u2019<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">Laten we afzien van &#8216;mooi&#8217; of &#8216;bijzonder&#8217; of &#8216;geslaagd, laten we zeggen: dit is de kernzin.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">Doorgaans bestaat een tekst voor een groot deel uit zinnen die ook wel anders, of een b\u00e9\u00e9tje anders, hadden gekund. Zo&#8217;n kernzin niet. Aan zo&#8217;n zin kun je geen woord, geen komma, veranderen zonder afbreuk te doen aan zijn strekking (ik zet de strekking bewust voorop; het gaat w\u00e9l om proza)&#8230; zonder afbreuk te doen aan zijn strekking, zijn ritme, zijn klank. Zo&#8217;n zin staat als een huis. Een eindstation. Hij ligt voor altijd vast.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">&#8216;Want dat is alles wat de sperwer voor ogen staat: de wereld vereenvoudigen door haar op te eten. Gemeten naar de bedoelingen die gewoonlijk aan roofdieren worden toegeschreven klinkt dit zowel nogal onschuldig als buitengewoon ambitieus. En ik kan u exact vertellen waar deze zin vandaan komt; uit de hal van het Centraal Station in Amsterdam.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">Het gebeurde dus op een zondag, vroeg in 1986. Die dinsdag of woensdag had ik een afspraak met mijn uitgever. Ik stap in Woerden in de trein, ik stap in Amsterdam uit de trein en hop, daar is-ie, kant-en-klaar: want dat is alles wat de sperwer voor ogen staat, de wereld vereenvoudigen door haar op te eten. Ik loop naar de Singel. Ik vervoeg mij bij Theo Sontrop, de toenmalige directeur van de Arbeiderspers. Ik zeg: &#8216;Theo, ik h\u00e9b me nou toch een zin!&#8217;<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">Ik beschrijf hem de situatie waarop hij betrekking heeft en geef hem vervolgens die zin zelf, die sperwerzin. Theo knikt verstandig. &#8216;Dat is een mooie zin, Koos. Verknoei hem niet.\u2019<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">Uit de hal van het Centraal Station in Amsterdam dus. Maar waar zo&#8217;n zin nou in hogere zin vandaan komt? Ik neem aan vanuit de neurologische processen waarin woorden op hun plaats worden gezet, beschreven of in ieder geval onderzocht kunnen worden \u2013 maar waarom dat dan precies in &#8216;Want dat is alles wat de sperwer voor ogen staat: de wereld vereenvoudigen door haar op te eten&#8217; moet uitmonden, dat zal toch &#8211; hopelijk &#8211; altijd wel een raadsel blijven.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">Bij nadere beschouwing zal ik mij dus moeten beperken tot een opsomming van de omstandigheden die het ontstaan van deze zin hebben bevorderd.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">1 Uitgangspunt is de werkelijkheid. Zondagmorgen, Oude Rijn, sperwer, spreeuw &#8211; waar gebeurd. Ware gebeurtenissen zijn op zichzelf geen waarborg voor de kwaliteit van een beschrijving ervan maar ik heb het nu ook niet over de kwaliteit van die zin, maar over het ontstaan ervan.&nbsp;<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">2 Ik heb weet van sperwers en spreeuwen. Ik zeg niet dat die ware gebeurtenis op zondagmorgen iemand die g\u00e9\u00e9n kijk heeft op sperwers en spreeuwen zou zijn ontgaan, maar het denken erover zou hem ongetwijfeld een stuk moeilijker zijn gevallen. Ik zeg niet dat er voor zo iemand g\u00e9\u00e9n tekst of gedicht of zo in deze gebeurtenis zou hebben gezeten, maar ik acht het onwaarschijnlijk dat iemand die geen kijk heeft op sperwers en spreeuwen hetzelfde zou hebben gezien als ik, en uitgesloten dat hij hetzelfde zou hebben geschreven<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">als ik.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">3 Ik heb deze gebeurtenis zo lang mogelijk in haar oorspronkelijke vorm, dus woordloos, in mijn gedachten gehouden. Woorden werken als plechtankers, te vroeg gebruikte of gevallen woorden kunnen je vervelend vastleggen &#8211; Goed, van die zondag naar die dinsdag of die woensdag, dat is zo lang nog niet, maar&#8230;<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">4 Achter deze gebeurtenissen lagen gebeurtenissen, waarne- mingen, die me al veel langer, misschien al wel jaren, bezighielden. Een roofdier verslindt zijn prooi, de sperwer een spreeuw. Dat hij daarmee een spreeuw in een sperwer verandert &#8211; dat was al eerder in me opgekomen. Metamorfosen. Ovidius. Ik was al vaak op dit punt geweest. Het had voor mij geen nut om n\u00f3g eens op dit punt te komen als ik niet een stap verder kon doen.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">5 Ik had in die tijd kennelijk geen last van kiespijn of ander persoonlijk drama. Ik kon me, zoal geen hele dagen, dan toch met een zekere regelmaat, aan mijn gedachten over deze gebeurtenis overgeven. Ik weet niet precies waar ze vandaan komen, deze invallen maar ik weet wel ongeveer wann\u00e9\u00e9r ze komen &#8211; in zo&#8217;n gezegende staat van halfslaap, een staat van mild verminderd bewustzijn, waarin je je gedachten volledig de vrije teugel kunt laten.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">6 De vrije teugel, zeg ik. Maar natuurlijk nooit helemaal zonder sturing. Altijd op zoek naar woorden die met je indrukken kunnen concurreren. Ik kan uit woorden geen levende sperwer, geen stervende spreeuw laten ontstaan, ik ben Onze-Lieve-Heer niet. Maar er zijn, met een beetje geluk, veel inzet, altijd wel woorden te vinden die zich met je indrukken kunnen meten &#8211; die in laatste instantie je indrukken kunnen uitwissen.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">Is dat in dit geval gelukt? Zeker. Als ik dit stukje niet geschreven had, zou ik me vermoedelijk nog steeds dat voorval van die zondagmorgen boven de Oude Rijn herinneren, want het was een indrukwekkend voorval. Nu herinner ik me eigenlijk alleen nog maar wat ik daarover geschreven heb.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">Verder: ik ben tot het uiterste gegaan. Een dieper begrip van wat het betekent een sperwer een spreeuw te zien slaan, valt van mij niet te verwachten, van mij niet. Voor mij hoeft nooit meer een sperwer een spreeuw te slaan.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">Nog verder: want dat is alles wat een sperwer voor ogen staat, de wereld vereenvoudigen door haar op te eten. Wat een taak voor zo&#8217;n toch betrekkelijk nietige vogel. Uitgesloten dat hij daarin slaagt. Het zou bovendien zijn dood betekenen: een volledig vereenvoudigde, dus opgegeten wereld zou zijn einde zijn. En daarin herkent de schrijver zichzelf: net zo goed bezig met het opeten, verteren, van de wereld om haar te vereenvoudigen. Achteraf dus: wat een metaforisch perspectief ligt er in deze zin.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">Achteraf, dat kan ik niet genoeg benadrukken. Net als bij het openen van ramen met luiken ervoor, is de juiste volgorde in dit geval van het grootste belang. Het is niet de behoefte aan metaforen waaruit zinnen ontstaan, het is de behoefte aan zinnen waaruit metaforen ontstaan.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"p1\">Het beschouwen van woorden en zinnen, de precieze taxatie van hun waarde, brengt het gevaar mee dat schrijven zich aan u voordoet als een bedachtzame, om niet te zeggen bezadigde, om niet te zeggen saaie bezigheid. Maar juist omdat je in wezen toch niet precies kunt zeggen waar het allemaal vandaan komt, beleef ik schrijven als een grillige, speelse, opwindende, in hoge mate intu\u00eftieve bezigheid &#8211; leuk om te doen.<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>[Bij het doorbladeren van De scharrelaar, tijdschrift voor lezen (2019, AtlasContact), treft me deze tekst over schrijven. Kernzin: het is niet de behoefte aan metaforen waaruit zinnen ontstaan, het is de behoefte aan zinnen waaruit metaforen ontstaan. De tekst vormt de aanloop naar die zin.] Koos van Zomeren is de gekroonde koning onder de natuurschrijvers<a href=\"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/schrijfles-koos-van-zomeren-kernzinnen-en-metaforen\/\" class=\"read-more\">Read more &raquo;<\/a><\/p>\n","protected":false},"author":1,"featured_media":0,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"footnotes":""},"categories":[122,4,1655],"tags":[],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/70068"}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/wp-json\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/wp-json\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/wp-json\/wp\/v2\/users\/1"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=70068"}],"version-history":[{"count":2,"href":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/70068\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":70074,"href":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/70068\/revisions\/70074"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=70068"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/wp-json\/wp\/v2\/categories?post=70068"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.imhd.nl\/log\/wp-json\/wp\/v2\/tags?post=70068"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}