Twee kleine konische dopjes, waar gifgroene en oranje adertjes doorheenvloeien alsof het voorzichtige, teergevoelige blokjes marmer zijn, liggen op de rand van het bed, maar het materiaal is zacht, wil trillingen opnemen, dempen, niet doorgeven. Daarom zijn zachte lichamen vermoedelijk zo fijn, je komt werkelijk tot rust.

Elke keer als ik over de ring rijd, of er onderdoor fiets, de 32 kilometer asfalt die Amsterdam insnoert, haar als een strakke enkelband omklemt, moet ik denken aan wat ze zegt over de olifanten in Artis. Hun oren zijn zo goed, vermoedelijk horen ze nonstop het razen op de ring.

Het geluid van 4600 passerende auto’s per uur lijkt me een vreselijke kwelling. Zintuigen verruimen je wereld, maken die groter, maar vormen als je je er niet voor kunt afsluiten evengoed een kwelling.

Zintuigen zijn niet afgestemd op stadsleven.

Het maakte me extreem onzeker, de eerste keer dat ze naast me lag met oordoppen in, alsof ze genoeg had van gefluisterde woordjes, en liever het suizen van haar eigen lichaam hoorde dan het mijne. Dat moest het wel zijn, want ik hoorde niks dat me wakker hield, behalve zij, en ik zou niet anders willen.

Mijn behoefte om te schrijven neemt drastisch af als ik bij haar ben. Waaruit ik concludeer dat schrijven een afleidingsmanoeuvre is, balsem voor de ziel, mijn eenzaamheid verlicht, een zacht bedje voor harde emoties (kunst, natuur, beweging, verliefdheid).

Om tot iets te komen, niet van het pad te raken, het doel te bereiken, stopte Odysseus, de Griekse held, zijn oren vol met was, smeerde zijn ogen dicht met vaseline, propte zijn neusgaten vol stro. Een boek? Weg met verleiding, afleiding. Maar ik moet niet vergeten dat Odysseus op weg was naar huis, hij wilde naar huis.

Er zijn zulke goede geluiden, als ze bezig is met pannen in de verte, de belofte van een warm ontbijt.