Een familielid heeft onlangs leren schrijven. Ik krijg een gedicht van haar. ‘Je moet zoeken,’ zegt ze. Ze heeft het niet goed verstopt, ik zie het meteen liggen, het steekt half onder een kussen. Ik vouw het open. ‘Heel mooi gedigt’ begint het en ik hoor het in Keulen donderen. Je staat veilig op de grond terwijl een karretje krakend langzaam omhoog gaat, bezig de enorme achtbaan die taal heet te bedwingen. Het gedicht eindigt als volgt: ‘op het laatst gaaje dood maar daar denken we nog niet even aan.’ Ik wil haar vertellen dat we daar nu juist wel even aan denken door het zo op te schrijven, dat ze het leven bij de kladden heeft, en dat ze aan spelling en grammatica moet werken, po√ęzie is niet zomaar wat woorden omkeren. Eerst de regels. Dan laten vieren.