Tjitske Jansen postte vorig jaar op LinkedIn allerlei schrijftips, in willekeurige volgorde.

Op 27 juni 2016,

1. Heb altijd een pen bij je

2. Denk niet dat schrijven leuk moet zijn
Eén van de meest voorkomende reacties wanneer ik mensen vertel dat ik schrijf: ‘Leuk!’ Maar zo leuk is het vaak helemaal niet. Het kán leuk zijn, zoals het leuk kan zijn een brood te bakken, een kind op te voeden, een groot bedrijf te leiden. Dat is een bijprodukt. Wat heb je aan een bakker die met veel plezier kleffe zware broden bakt die niemand eten wil? 

3. You don’t do anything for free
Deze schrijftip is een citaat van Louis-Ferdinand Céline. Ik vond het in een interview met The Paris Review dat plaatsvond in 1960: You don’t do anything for free. You’ve got to pay. A story you make up, that isn’t worth anything. The only story that counts is the one you pay for. When it’s paid for, then you’ve got the right to transform it. Otherwise it’s lousy.

4. Wees wie je bent
Maak een lijstje van tien van je favoriete boeken. Wat hebben deze boeken met elkaar gemeen? Wanneer het in het merendeel van deze boeken gaat over een tijdloze strijd tussen het goede en het kwade, bestaat de mogelijkheid dat je misschien niet de meest aangewezen persoon bent een hermetische dichtbundel te schrijven. Ben je juist iemand die bij voorkeur gedichten leest die verder niemand begrijpt? Dan zou het kunnen dat het beter was wanneer je ophield met het werken aan die vuistdikke detective. Hou je van boeken van schrijvers die schrijven over zichzelf? Waarom zou je dan voor je eigen boek ineens personages gaan verzinnen? Het klinkt nogal logisch. Dat zou het ook moeten zijn.

5. Show don’t tell
De klassieker onder de schrijftips. En dat is niet voor niets. Wanneer ik een schrijfcursus geef aan beginnende schrijvers, regent het tijdens de eerste les altijd weer bijvoeglijke naamwoorden. Schrijf niet dat iemand haast heeft, maar laat haar bijvoorbeeld de trap oprennen en tijdens het rennen steeds treden overslaan. Schrijf niet dat iemand verliefd is. De ene verliefde is de andere niet. De ene gaat in het bijzijn van het object van begeerte stil naar de grond zitten kijken. De andere weet niet waar hij al zijn armen en benen en woorden moet laten. Laat het zien!

6. Blijf zitten
Blijf zitten en schrijf. Zo simpel is het. Om een gedicht of een verhaal te schrijven is het niet genoeg een idee te hebben. Je moet gaan zitten en beginnen. En doorgaan. En niet opgeven. En blijven zitten.

7. Stop op tijd
Stop altijd met schrijven wanneer je eigenlijk nog door wilt gaan. Voordat je stopt: vergeet niet om te noteren waaraan je verder wilt/ kunt werken. Op die manier hoef je nooit helemaal opnieuw te beginnen.

Op 11 juli 2016,

1. ‘What is important now is to recover our senses. We must learn to see more, to hear more, to feel more.’ Susan Sontag

Ooit volgde ik lessen op een kunstacademie. De tekeningen die ik tijdens mijn eerste modeltekenlessen maakte, leken meer op mezelf dan op het model. Ik had minder goed naar haar gekeken dan ik dacht. Ik had gekeken met mijn aannames ertussen. Door beter te kijken, naar de structuur, richting, verhoudingen, lengtes, en mijn idee over wat ik zag weg te laten, vormde het lichaam op papier zich als vanzelf, en leek het wél op het model.
Ook wanneer je schrijft, gaat het erom het kijken (en luisteren, ruiken, proeven, voelen) te trainen. En eigenlijk om te beginnen (en steeds opnieuw) je te realiseren hoe moeilijk het blijkbaar is om met al je zintuigen aanwezig te zijn. Weet jij nog wat de laatste woorden waren van degene die je het laatst aan de telefoon hebt gesproken? Herinner je je de sokken van je tandarts? Als je naar de tandarts gaat, heb je misschien wel iets anders te doen dan je bezighouden met welke sokken hij draagt, maar wat heb je wel gezien en gehoord? Wat weet je nog? Meer en beter onthouden, is een kwestie van beter opletten.
Joke van Leeuwen schrijft in een gedicht ‘de bussen laten scheten in de bocht’. Zoiets kan alleen iemand schrijven die goed luisteren kan. Die, toen ze bussen hoorde, niet alleen maar de conclusie trok dat ze bussen hoorde. Nabokov vergelijkt nat asfalt met de huid van een zeehond. Wilma Stockenström schrijft over haar ouder wordende zelf dat ze brosser begint te worden. En: Die son die brand my skouderknoppe/ bruin soos beskuit se ronde korsies. Chr. J. Van Geel beschrijft een mol als kleine bokshandschoen van bont.

2. Wees jong of verliefd
Deze tip heeft veel weg van tip 1, maar is vanuit een ander uitgangspunt verwoord. Wat je nodig hebt voor een goeie literaire tekst is dus het tegendeel van routine. De blik die kinderen, als ze nog jong genoeg zijn, van zichzelf hebben. Of de blik waarmee je naar je eigen vensterbanken kijkt als je verliefd bent en het object van je verlangen komt voor het eerst op bezoek: ‘Waarom staat dat vaasje daar! En het is ook best een stom vaasje!’ Het is kijken naar wat je kent alsof het nieuw is. Als je niet verliefd bent of niet jong genoeg om op deze manier te kijken, lijkt het er in het extreme geval op dat je zult moeten kiezen tussen deze blik cultiveren (wat alle goeie kunstenaars doen) of zombie worden.

3. Gummbah

4. Schrijf ’s nachts
Het antwoord op de vraag die Jeroen Tacx vorige week stelde. Inderdaad, ’s nachts of ’s morgens heel vroeg, is het makkelijker de tijd te vergeten. Bovendien, wanneer je om 4 uur ’s morgens met schrijven begint, heb je om een uur of 9 je schrijfuren voor die dag er wel zo’n beetje opzitten. Voor mensen die kinderen naar school moeten brengen, is dit misschien niet zo’n goeie tip. Zijn er, voor zover jullie weten, schrijvers mét kinderen die aan nachtschrijven doen?

5. Een eenvoudige doch zeer doeltreffende manier om materiaal te verzamelen
Schrijf in het midden van een vel papier een onderwerp waarover je wilt schrijven. Het kan een woord zijn of een zin. Bijvoorbeeld, ‘kamperen’ of ‘vriendschap’ of ‘wat ik nog wil doen voordat ik dood ben’. Whatever. Dan schrijf je boven dat woord of die zin het eerste dat er bij je opkomt. Daarboven schrijf je de eerste associatie dáár weer op. Je gaat dus niet terug naar het onderwerp, je associeert dóór. Heb je de rand van het papier bereikt, begin je een nieuwe associatiereeks, een andere kant op. Dit doe je vijf tot tien keer. Als je klaar bent heb je dus een vel vol associaties rondom je onderwerp. Op deze manier materiaal verzamelen, is een goeie manier om erachter te komen welke onderwerpen het rijkst zijn, het meeste en meest bruikbare materiaal opleveren.

6. Van beeld naar beeld
Bij associëren gaat het erom concreet te blijven en niet tot abstracte termen, die vaak een interpretatie zijn, te komen. Goed associëren gaat van beeld naar beeld. Wanneer ik een schrijfcursus geef, begin ik meestal hiermee. Dit vinden veel mensen namelijk een moeilijke techniek. De associatie houdt vaak vroegtijdig op, doordat meteen naar een interpretatie wordt gegaan. Maar als je het eenmaal doorhebt, heb je er je hele verdere leven plezier van. :-)
Toen ik zojuist deze schrijftip voorlas aan mijn vriend Hans, zei deze:”Ja, dat is nog maar de vraag natuurlijk!” En inderdaad, dat is nog maar de vraag. Wat ons terugbrengt bij een tip van twee weken terug: denk niet dat schrijven leuk moet zijn.

7. Schrijven is schrappen
Vorige week vroeg iemand, om precies te zijn Leela May Stokholm of ik hier iets over wilde laten weten, en, wat zij zich vooral afvroeg: moet je eerst veel schrijven en dán schrappen of is schrappen een kwestie van leren wat je weg moet laten en dat dan meteen tijdens het schrijven al doen?
Wat die vraag onder meer lastig te beantwoorden maakt, is dat het schrijven en schrappen een voortdurend proces is. Het is niet zo, en ik denk dat dit voor de meeste schrijvers geldt (hallo meeste schrijvers, klopt dat?) dat ik éérst van alles schrijf en vervolgens daarnaar kijk en aan het schrappen sla. Ik ben de hele tijd, zeker wanneer ik op de computer werk, al schrijvend aan het schrijven en schrappen, schrijven en schrappen, schrijven en schrappen (had dat korter gekund?)
Eigenlijk is het vooral belangrijk te ontdekken wát je moet schrappen. Je moet niks. Maar toch. En waarom. Ik zal volgende week een paar voorbeelden geven uit mijn eigen werk. Voorbeelden van wat er eerst stond, en wat ik toen heb weg gehaald. En de redenen. Én ik zal een voorbeeld geven van een schrijver die mijns inziens niet genoeg schrapt. Om precies te zijn Karl Ove Knausgard, die zoals jullie weten meer boeken verkoopt dan ik, dus niet genoeg schrappen heeft alleen een negatieve invloed op de kwaliteit van je boek. Niet persé op de verkoopcijfers.

En op 4 juli 2016,

1. Lees slechte boeken
Dit is een tip van Annie M.G. Schmidt. Wanneer je alleen het beste van het beste leest, kun je ontmoedigd raken, denken: zo goed zal ik het nooit kunnen. Krijg dan nog maar eens een letter op papier. Wanneer je slechte boeken leest, kun je denken: dat kan ik beter.

2. Lees goeie boeken
En gooi het idee dat jij dit nooit zult kunnen uit het raam. Daar gaat het helemaal niet om. Laaf je. Verwonder je. Lees. Herlees. Analyseer. Benoem. Wat doet de schrijver hier, wat maakt deze tekst zo goed?

3. Lees alles van de schrijvers die je goed vindt
Wanneer je dit doet, kom je erachter dat zelfs de beste schrijvers de plank weleens misslaan. Gorter bijvoorbeeld begint een gedicht met de regel Het socialisme het is een eikeltje. Ahum ahum… Geruststellend slecht (dat kan ik ook! :-)

4. Huur af en toe een huisje
Huur af en toe een huisje om daar te gaan schrijven. Als het kan voor minstens een maand. Hoe duurder hoe beter. Dit is een tip die vooral goed werkt bij Nederlandse schrijvers. Je hebt voor dat huisje betaald en dat geld moet je natuurlijk wel terugverdienen. Aan het werk!

5. Doe de gordijnen dicht. Of open.
Jaren geleden was Maria Goos zomergast van Conny Palmen. Palmen zei op een gegeven moment dat ze, als ze ging schrijven, de gordijnen dichtdeed. ‘Wat?’ Riep Maria Goos uit. ‘Doe jij de gordijnen dicht? Ik doe de gordijnen open!’ Twee typen schrijvers in een notendop. Vooral wanneer je last hebt van een schrijfblokkade, kan het geen kwaad het beeld dat je hebt van jezelf en van het schrijven te onderzoeken. Ik heb tot een paar jaar geleden gedacht dat schrijven een zaak was (en moest zijn) van uiterste concentratie. Deze opvatting had al jaren niets publicabels opgeleverd.  Toch hield ik hem in stand. Toen kwam er gelukkig iemand op het idee mij te laten weten: ‘Jij denkt als het schrijven niet lukt, dat je je niet genoeg concentreert. Ik denk dat je je juist teveel concentreert.’ Ik ging uitproberen wat er gebeurde als ik me tijdens het schrijven minder concentreerde. Ik ging losser werken. ‘Gewoon’ een beetje spelen, er niet te zwaar aan tillen. Dit heeft geresulteerd in Voor altijd voor het laatst. Misschien heb je jezelf wijsgemaakt dat jij een met-de-gordijnen-dicht schrijver bent. Maar is dat ook zo? Probeer eens uit wat er gebeurt als je ze opendoet. En vice versa.

6. Reageer op wat er is
Tweeëntwintig jaar geleden (!!!) volgde ik een schrijfworkshop van Moniek Kramer. De eerste opdracht die ze gaf, was deze: ga met je aandacht naar een gevoel. Het kan het gevoel zijn dat nu bij je is, of het gevoel waarmee je vanmorgen wakker werd, of een gevoel dat je wilt oproepen in verband met een personage. Ga ín het gevoel zitten en schrijf van daaruit. Doe dit niet door het gevoel te omschrijven, maar door er een reactie op te geven (wanneer je met een hamer een van je eigen duimen raakt in plaats van een van je eigen spijkers, zeg je niet: ‘O potverdikkie wat een pijn doet dit.’). 
Door deze methode te gebruiken, ontstaat er een eerste zin die meteen een situatie/ gebeurtenis suggereert. Het is een zin die reageert op ‘iets’.  Elke schrijver, of hij nu non-fictie of fictie beoefent, komt in zijn eigen werk terecht. Dat kan gelukkig niet anders. Door het gebruiken van deze techniek gebeurt dat op een directe, onbedachte manier.
Ik geef een voorbeeld van een eerste zin die op deze manier tot stand kwam. De eerste zin van mijn gedicht over een kastanjeboom die liever een kastanje was gebleven:
 Als iemand mij nou maar/ had opgeraapt/ en in zijn zak gestopt/ en daar gelaten had,/ dat af en toe een hand mij vond,/ voelde hoe zacht ik was/ en dan weer losliet.

7. Je schrijft niet omdat je iets wilt zeggen, je schrijft omdat je iets te zeggen hebt.
Met dank aan F. Scott Fitzgerald