Een schilderij dat lijkbleek in het atelier binnenkomt, heeft waarschijnlijk de ultramarijnziekte onder de leden. In de zeventiende en achttiende eeuw lag de prijs voor ultramarijnpigment hoger dan die van puur goud. Kunstenaars gingen er spaarzaam mee om en gebruikten het ‘blauwe goud’ alleen voor belangrijke partijen in het schilderij, zoals de hemel of het gewaad van Maria. Niemand kon in die tijd voorzien dat uitgerekend dit pigment in de loop der jaren zijn kracht zou verliezen. Honderden jaren later zijn vele hemels verbleekt en minstens zoveel Maria’s knielen niet langer in een helderblauw gewaad voor Jezus neer, maar in een fletse duster. – Nachtschrijver, Jannie Regnerus