If I had to give a young writer some advice I would say to write about something that has happened to him; it’s always easy to tell whether a writer is writing about something that has happened to him or something he has read or been told. Pablo Neruda has a line in a poem that says ‘God help me from inventing when I sing.’ It always amuses me that the biggest praise for my work comes for the imagination, while the truth is that there’s not a single line in all my work that does not have a basis in reality. – Gabriel García Márquez

Degenen met negatieve leesrapporten hebben katers, de anderen zijn opgetogen.

Ik krijg te horen dat ik abstract schrijf, de lezer op afstand houd, dat is het laatste wat ik wil, dus die opmerking krijg ik niet doorgeslikt, ze plakt tegen mijn gehemelte als een hostie, mijn tong krijgt haar niet los, hoe ik ook peuter, het dunne velletje kleeft, is één met mijn mondholte.

Hostie betekent slachtoffer, lees ik op wikipedia. Protestanten gebruiken het woord niet, het is echt iets Rooms-Katholieks.

De suggesties die de redacteur doet zijn mechanismes die ik als afstandelijk ervaar, ‘plot’ en ‘streven van een hoofdpersoon’ en ‘show don’t tell’. Als je dat laatste wil, kom je uit bij een gedicht, lijkt me.

Het gaat toch echt om vertellen, denk ik.

Het is natuurlijk een sterk persoonlijke voorkeur om te willen dat als er ‘ik’ staat dat ‘ik’ degene is die het boek geschreven heeft dat je in handen hebt.

Wat ik wil is duidelijk. Ik wil niet dat jonge jongens plat op hun buik in een brandende woestijn op hun buik liggen, de zon op hun kop, zweet en angst in de ogen, terwijl iemand op een knop drukt en raketten op ze afvuurt.

Ik wil niet voor één poppetje iets.

Het goede van botsingen met mensen die lezen wat je maakt is dat je teruggeworpen wordt op jezelf. Alles wordt opgeschud, flardjes zweven even, glinsteren, vangen zon, voordat de troebele pracht bezinkt, het water weer transparant is, niets aan de hand.

Boven het bezinksel het licht.