over autobiografisch lezen

Lezen vergroot de empathie, lees je wel eens. Ik geloof daar niet in.

Empathie kan ik ook op Youtube vinden. Zo zag ik een tijd terug een filmpje van een man in Siberië die acht in een bos gevonden dode kittens nieuw leven inblies, en ik weet nog dat ik dacht, wow, de arme schepseltjes zijn morsdood, het zou een wonder zijn als hij dat voor elkaar krijgt, maar blijkbaar had hij het geloof, want zorgvuldig hield hij de verstijfde, bevroren lijkjes – vreemd uitgestrekt als rechte afgebroken takken – voor de blower van het dashboard en blies er geduldig warme wind langs. Werkelijk, de uren die het duurde, mijn maag draaide ervan om, gefascineerd heb ik zitten kijken. Eén voor één streelde hij de karkasjes wakker, zoals een moederoctopus met haar eieren doet. Alles kan natuurlijk in scene gezet zijn, maar zo zag het er niet uit. Eentje, een witte, de haartjes wuivend in de wind, kwam niet tot leven, wat hij ook probeerde, en die klemde hij onder zijn kleren. De overige zeven rolde hij in een deken, een zevenkoppige zuigeling op de bijrijderstoel, waarop ze makkelijk pasten, een beeld dat ik niet snel vergeet. Alsof hij met dat inbakeren wilde zeggen, voorzichtig met die nieuwe beweginkjes van jullie, dat geklauw in de lucht, buiten wachten de wolven.

Ik kan het filmpje niet terugvinden, ik weet ook niet of het acht kittens waren of dat dat getal uit een andere herinnering stamt, maar wat in mijn wezen gegroefd staat is het geduld en de toewijding van de Siberiër, zijn rust, al verzin ik die ook misschien, maar zo herinner ik het me, alsof een karaktertrek de herinnering ankert, alsof zo een herinnering gemaakt wordt: een man werpt een anker uit op de bodem van mijn gevoel, de diepte die hij opwekt in mij.

Is zijn geduld een typische Siberische karaktertrek of heb ik dat ook in me, acht uur de blower van de Volkswagen aan, niet bang zijn dat je de accu leeg trekt waardoor je zelf niet wegkomt uit dat donkere bos?

Wat een verpletterende werkelijkheid. Mooi, sentimenteel, en tegelijkertijd een wals die over me heen rolt en me platgeslagen achterlaat terwijl het volgende filmpje alweer klaarstaat – ‘ten jaw-dropping animal rescues’. Ik staar nog naar het vorige. Digitale suiker noemt Adam Alter the stuff our digital dreams are made of, maar voor mij is Youtube meer havermout, een voedzame trage maaltijd.

Hoe anders bij boeken. Onrust jaagt me voort, langs geblurde zinnen. Waarom lees ik er zoveel niet uit? Voor ik het weet stoot ik ze alweer van het nachtkastje. Ik weet nog dat ik de openingsbladzijden in Vader van Knausgård las, over het hart dat niet wil stoppen, waarvoor het leven simpel is, het slaat zolang het kan, en over de dood die we angstvallig achter deuren verbergen, in ziekenhuizen, mortuaria, zwijgend vervoeren door onzichtbare gangen, achter geblindeerde ramen, en dan zwenkt Knausgård, terug naar het hart, de kamers, de vlekken, het landschap van het lichaam. Toch eindigt mijn leessessie daar. Dat kan niet te maken hebben met het boek, niet alleen. Het is prachtig.

Waarom Knausgård niet, en Cusk bijvoorbeeld wel?

Ik denk dat lezen met de werkelijkheid te maken heeft. Ik wil eigenlijk vooral lezen: wow, kijk dat blaadje, die nerven, hier in mijn hand, en daar bij Frans de Waal, die zojuist een vlinder post met vleugels die sprekend lijken op zo’n zelfde blaadje. Ik kijk naar de nerven en naar de blauwe hemel – ik snap er niks van en toch voel ik dat dat iets bijzonders is, die werkelijkheid, iets fenomenaals, inclusief die slak die al die blaadjes opeet en een ravage in mijn tuin achterlaat. En omdat ik dat allemaal niet kan uitdrukken, omdat ik dat niet voortdurend kan uitdrukken, die massieve onontkoombaarheid, daarom dit essay, een noodsprong, want liever had ik gewild dat iemand het had geschreven, dat ik het had aangetroffen, kon lezen, als een blad aan een boom. Ik noem dat verlangen, want dat is het, het verlangen naar autobiografisch lezen, lezen met het eigen leven als uitgangspunt.

Nonfictie is genoeg, dacht ik lange tijd.

De werkelijkheid schrijven is genoeg, die ontzaglijkheid, laten we daar eens mee beginnen. Heeft iemand dat al gedaan?

Knausgård zou je kunnen aanvoeren, als hij op pagina één schrijft hoe het bloed – zodra het lichaam sterft – naar het laagste punt van het lichaam stroomt, zich in een kleine poel verzamelt, aan de buitenkant zichtbaar wordt als een donkere, ietwat zachte plek op de steeds witter wordende huid terwijl de temperatuur daalt, de ledematen verstijven en de darmen zich legen, waarna de grote invasie kan beginnen: enorme zwermen bacteriën die het lijk koloniseren.

Echter dan dit, de dood, wordt het niet.

Maar zodra je iets denkt, echt gaat denken, word je bestookt met vervolggedachten, en één daarvan is deze: misschien is het toch te lichtvaardig gedacht, de werkelijkheid schrijven, dan hadden meer mensen dat in grotere getalen geconcludeerd. Iets mist. Waarom vertellen we elkaar anders verhalen? Misschien nog wonderlijker, waarom vertellen we onszelf verhalen?

Het geheugen broedt ervaringen uit als eieren, tot die, eenmaal groot en sterk en stevig genoeg, de mens in staat stellen om er iets aan te hebben, schrijven de zussen Hilde en Ylva Østby in Zoeken naar zeepaardjes, een boek over het geheugen.

Het geheugen is onvolkomen, feilbaar. Het slaat ervaringen op, en het verandert steeds. Maar wat ik als een onvolkomenheid zie is dat helemaal niet, anders zou het door evolutie zijn uitgewist. De aantasting en aanpassing van herinneringen is functioneel. Het helpt de mens. Zo maken we ons bijvoorbeeld de vader, de moeder, de jeugd, de kinderen, die we nodig hebben, het verhaal waarmee valt te leven. We, elk organisme, moeten vooruit. Het geheugen moet ik me niet zozeer voorstellen als een imperfect archief, aldus de Østbys, maar als een tool, een gereedschap, een potentieel, bedoeld om in de toekomst iets aan te hebben. What’s next denkt het brein voortdurend.

Dat verrast me, het geheugen als toekomstmachine.

Ik heb weinig meegemaakt, denk ik nu. Weinig verhalen nodig gehad om vooruit te kunnen, geen wonder zoals de dode kittens.

Toen ik in de rouw was begon iets te kantelen.
Toen dacht ik de gedachte waarmee dit denken begon: lezen verruimt de empathie niet, het verkleint haar.

Als het tegenzit in het leven, echt tegenzit, bij grote dingen, draait alles om. Op zo’n moment treden paradoxale wetten in werking, alsof ironische goden zich plots met je bestaan gaan bemoeien, iets duidelijk willen maken. Niks is belangrijk wat belangrijk zou moeten zijn (eten, jezelf verzorgen, hygiëne, sociale contacten). Je huis neemt gigantische proporties aan, terwijl het klein zou kunnen zijn, want ze is weg, de liefde met wie je achttien jaar woonde, het leven deelde. Overal is leegte. De koelkast te groot, de afwasmachine, het bed, het huis, wat zeg ik, het hele leven hangt als een te ruime jas om je schouders, terwijl je zelf juist minder en minder ruimte inneemt, je valt kilo’s af, en dat terwijl je niet meer beweegt, of nauwelijks toch. De stilte die iemand achterlaat bij vertrek is oorverdovend. Woorden echoën tegen de muren.

In die leegte, in die stilte, in het wegvallen van ruis, de toename van tijd en ruimte die zelf meer tijd en ruimte genereert, want je kookt niet meer voor haar, doet geen boodschappen, vraagt niet hoe haar dag was – in de periode dus waarin je in theorie zo goed zou kunnen denken, omdat er niks meer is, stopt het denken totaal. Gedachten tollen nog even rond maar verdwijnen tenslotte als draaikolk in een putje: waarom, waarom, waarom?

In een bestaan gereduceerd tot die essentie kromp mijn empathie schrikbarend. Ik wist niet dat dat mogelijk was. Empathie is een luxe! Ik kwam gelukkige stelletjes tegen en dacht: jullie weten het nog niet. Jullie weten het nog niet.

Het kan natuurlijk zo zijn dat empathie tijdelijk kleiner wordt, dat ze ook weer kan oprekken, dat wil ik niet uitsluiten, maar eigenlijk denk ik van niet. Op zo’n kantelmoment wordt iets onverbloemd duidelijk. Als empathie al toeneemt, dan vooral met jezelf. Je likt je wonden. Elk liedje op de radio gaat over jou. Een kaal en totaal inzicht.

Maar goed, wat heeft dat met boeken te maken?
In die periode las ik er een paar, lezen kon ik gelukkig wel.
Aftermath: on marriage and separation, Rachel Cusk.
H is from hawk, Helen Macdonald.
Rosa Montero’s The absurd idea of never seeing you again.
Logboek van een onbarmhartig jaar, Connie Palmen.

Alle vier rouwboeken, maar in die laatste drie gaan mensen dood. Dat is een verschil. Ik dacht dat ik de transfer kon maken, rouw is rouw, maar zo bleek het niet te werken, ik verdroeg ze eenvoudig niet, die boeken waarin de geliefden dood waren. Dood was niet mijn pijn, op een of andere manier leek die rouw minder erg, of minder erge rouw, minder moeilijk. De dood is gruwelijk, absoluut, en op een dag ben je zelf aan de beurt, maar je kunt er niks tegen doen, tegen de dood, en daar zit de crux, het ligt niet aan jou, jij wordt niet afgewezen, de dood krenkt je ego niet, je kunt er ook niks vóór doen, er is sprake van realiteit, nonfictie, de dode komt niet terug, de dood is écht het einde, er is geen Siberiër die komt voorrijden om je tot leven te blowen. De bacteriën bereiken genadeloos de kanalen van Havers, de crypten van Lieberkühn, de eilandjes van Langerhans (Knausgård) om hun opruimende werk te doen. En toen constateerde ik, enigszins beschroomd: lezen verkleint empathie. Ik bleef jaloers achter.

Abstract of neutraal lezen is een onmogelijkheid, schrijft Lidewijde Paris in Een goed verhaal. Als je net je vader hebt verloren lees je een ander verhaal. Dat klopt. Subjectief en betrokken lezen is wat rest in zo’n geval, het weggaan van en terugkeren in jezelf. Dat is de weldaad van literatuur. Als het er echt om gaat, als het een kwestie is van erop of eronder, als literatuur geen luxe is, wie of wat lees je dan?
Ik las een witte westerse vrouw, intelligent, net een scheiding achter de rug, die blijft rationaliseren, blijft rationaliseren, blijft rationaliseren. De nieuwe realiteit?
‘A plate falls to the floor: the new reality is that it is broken.’ Ik wilde Rachel Cusk en verder niemand.

In Dreams must explain themselves schrijft Ursula K. Le Guin over het waarom van verhalen vertellen. Ik had besloten al haar werk te lezen toen ik het essay Without egg tegenkwam, maar compleet in haar werk duiken lukte pas onlangs. Ik was totaal onvoorbereid op de impact. Wist niet dat een wereldbeeld wachtte. Ik schreef notitieboekjes vol, recepten waarmee ik voor een weeshuis pannen soep kon koken (ik was inmiddels weer gaan eten).

Realisme is misschien de minst adequate manier om de ongelooflijke realiteit van het bestaan te begrijpen of te portretteren, schrijft ze ergens.

Hoewel dat opnieuw een aanslag is op de realiteit (waar boeken, fictie, ook onderdeel van uitmaken) las ik verder. Inmiddels was mijn realiteit al meer dan twee jaar een gebroken bord. Ik hoefde geen gelijk meer, ik had lijm nodig. Dood en verlies loeren overal, zegt ze. Als we ons van het kampvuur afwenden zien we pas goed hoe donker het om ons is, hoe stormachtig de nacht. De realiteit is hard, een gevangenis, daaraan ontsnappen is onweerstaanbaar. Met tijd en toekomst en tovenaars, of escapisme, heeft die ontsnapping weinig te maken (ze schreef veel science fiction en fantasy verhalen). Wel met vrijheid en verbeeldingskracht. Niemand ontsnapt naar een gevangenis.

En daar lag mijn sleutel.

Niemand ontsnapt naar een gevangenis. Het enige wat een verhaal wil, wat het van je vraagt, stelt Le Guin, is je een mogelijke wereld voor te stellen, naast de bekende.

What if? Wat als Charles Lindberg in 1940 president van de Verenigde Staten was geworden?
What next? heb ik van de Østby’s geleerd. Wat als Philip Roth geen Amerikaanse man was, zou ik dan meer van hem lezen?

Een nieuw iemand liet me een kort verhaal lezen, in een plastic mapje, dat een docente had gekopieerd. Ze zei er niet bij dat het een gruwelijk verhaal was, dit verhaal van Raymond Carver, over twee mannen, Bill en Jerry, die bier drinken, in een auto rijden en twee meisjes lastigvallen. Jerry slaat één dood met een steen. Hij ramt een steen in haar gezicht, maar ze is niet dood. Haar wurgen lukt niet, lukt hem niet – ‘hij zette niet echt door, hij kon het niet’.
Vanaf ooghoogte, zo staat het er, laat hij een groot stuk steen vallen.
En nog eens, en nog eens.
Een goed kort verhaal draalt en talmt even, om vervolgens een subtiel gebaar te maken, schrijft Joost Zwagerman. Het laat de lezer zélf op zich afkomen. Die krijgt vaak niet meer dan een flinter, een moment, soms niet eens een pointe of plot. Géén compleet leven, géén tikkende klok. Een kort verhaal kan ijler zijn dan de ijlste atmosfeer. In Zeg tegen de vrouwen dat we weg zijn van Carver ijlt niks. Dit is pure geweldsporno. Mijn wereld wordt niet groter van mijn empathie, ze wordt angstaanjagend klein, gereduceerd tot een steen op een gezicht, meisje moet dood, dood, dood.
Ik kan me niet verplaatsen in Jerry, en niet in Carver die het schreef. Welke Le Guineaanse vrijheid zoekt hij hier op? Het verhaal eindigt ermee dat Bill Jerry troost.
Ik moet mijn hypothese aanscherpen: lezen verkleint de empathie, behalve die met jezelf, als je niet uitkijkt.
Want ik moet uitkijken: hij doet het immers niet echt. Carver slaat geen meisje dood. Verwar de schrijver niet met het personage, het boek niet met de schrijver, zegt een stemmetje in mijn hoofd. Niet echt. Papieren werkelijkheid.
Waarom eigenlijk? Zou het niet prikkelender zijn om dat wel te doen, een meer volwassen leeshouding te ontwikkelen? Woorden hebben consequenties, ik moet ze niet bij voorbaat hun transformerende kracht ontnemen, het vermogen om iets in gang te zetten.
Een schrijver wil de menselijke natuur onderzoeken, hij wil schrijven, misschien beschrijven, maar toch vooral schrijven, niet voorschrijven. Hij is immers geen dominee, geen schoolmeester. Die behoefte aan vrijheid begrijp ik. Omdat ze de uiterst aanlokkelijke vrijheid om te kiezen voor het kwade omvat, het slechte, de keuze om immoreel te zijn. Anders zou het geen vrijheid zijn. Maar wie schrijft ontkomt niet aan moraal.

Moraal zit vanzelf in de dingen, sluipt erin. Komt er aan de achterkant weer uit.
Bij de user experience. Ik kan over woorden beweren ‘het zijn maar woorden’ of ‘het is maar een verhaal’ maar daarmee neem ik ze minder serieus. Elk ding in de werkelijkheid heeft gevolgen. Een verkeersdrempel (‘slechts een stuk beton’) noopt tot langzaam rijden, anders ligt je knalpot eraf, of schiet je met je hoofd tegen het dak van je auto. Impliciet zegt een drempel: langzaam rijden is wenselijk, hard rijden niet. Natuurlijk kun je door een woonwijk racen met 160 kilometer per uur, maar dat is mijn punt niet.
‘If one believes that words are acts, as I do, then one must hold writers responsible for what their words do,’ schrijft Le Guin. Die vrijheid is zo lekker, spartelt het stemmetje.

Leven in een wereld met verhalen als die van Carver vergt energie, put uit. Wil ik die spenderen aan rondspattend bloed? En toen kwam deze gedachte, helder als een vliegje dat spartelt in een glas water: vóórdat ik wil weten wat het betekent om te zijn wie ik niet ben, een man die een jong meisje achterna zit, doodslaat, wil ik weten wat het betekent om te zijn wie ik ben. Hoe te leven in een wereld waarin mannen vol frustratie en wrok meisjes doodslaan, in een wereld vol mammoetverhalen zoals Le Guin ze noemt. Opwindende, lustvolle, instant gratification leverende verhalen waarin de mammoet de mens plet, Kaïn Abel doodt, Jerry een meisje doodslaat. Kreeg het meisje een naam?
Ik zoek de troost en vrees van dat begrip niet. Carver en zijn daden staan achteraan in mijn boekenrij. Mijn verlies inderdaad. Ik heb beperkte tijd.
Dood en verlies loeren overal.
Ik laat mijn nieuwe liefde dit essay lezen.
‘Wat is de urgentie?’ vraagt ze. ‘Wat moet de wereld hiermee?’
Lezen is solitair. Je hoeft even niets met de wereld, met die immense realiteit. Je kunt je onttrekken aan de krachten, aan haar wetten. Je hoeft even niet empathisch te zijn, kiest voor jezelf. Je bent almachtig. Lezen verkleint de empathie, vergroot de vrijheid.
Maar ik wil dit niet meer.
Vrijheid knaagt, vreemd genoeg.
Ik wil me branden aan moraal én werkelijk mooie zinnen, fluister ik in haar oor. Ze ruikt naar vanille en naar bergen. We lezen elkaar De vlieg van Katherine Mansfield voor. We lezen elk een ander verhaal. Wat een solitair gebeuren, literatuur!
‘Wordt het niet tijd volwassen te worden als lezers, een moraal aan te hangen?’ zeg ik. Naarstig zoek ik een ander woord. Geweten. Karakter. Kompas. Toekomst. Niemand ontsnapt naar een gevangenis.
‘Describing, we become,’ lees ik in mijn notitieboekje. Lezend ook.