Bitterkoekje, zegt ze.

Ik ken niemand die overdrijft als zij, scherp, in instant staal. Geschreven kun je natuurlijk alles rustig bedenken, kop koffie erbij, en Proust, maar in een gesprek? Ik ken ook niemand die zoveel over het verleden spreekt.

Omdat ze vroeger gelukkig was, gelukkiger, gelukkigst? Als de koekjes die ze op de bodem vindt al bitter smaken, laat ze daar weinig van merken, over haar jeugd vertelt ze zoet en warm, ze zit in een door bomen beschutte tuin op een zonnige zomerse dag, beuken, blaadjes, plukjes licht.

Herinnering is ankerplaats.
Anker uitwerpen en duiken.
Adem inhouden.
Met parel bovenkomen, appt ze. Ik ken niemand die instant messages stuurt als zij (po√ętisch, beeldend, klankig).

A happy childhood als schrijversgoudmijn, een schatkist op een eiland in de Javaanse zee. Heeft Java een zee? Bandung?

Ze studeert, zet 1000 aantekeningetjes in kantlijnen, onderstreept woorden in boeken (shadowswings). Carver, Kouwenaar, Krol. Steencirkels van Piet Gerbrandy. Wat moet de wereld met nog een kort verhaal, nog een gedicht, taal waar de lucht uit is geperst?

Je schrijft anders dan je spreekt, appt, bent, maar dat is logisch. Schrijven is niet logisch.

Ik ga vandaag een training volgen en die heet Motiverende Gespreksvoering. Liever zou ik lezen, schrijven, de vloer aanvegen en naar de witte geranium kijken, die heeft een roze randje gekregen. Het is zaak zulke gesprekken, een gesprek, niet alleen met anderen, een ander, te voeren.

Nu begrijp ik wat een docent tien, twaalf jaar geleden tegen me zei: ik wil jou lezen, niet die anderen, niet iemand anders, niet Carver, Kouwenaar, Krol, Gerbrandy. Ik begrijp dat verlangen en ik begrijp waarom en het heeft iets met persoonlijkheid te maken.