Ze zet een pan water op. Bukt, grijpt naar de kast, ze hoort haar moeder. Een pan water warmen zal in haar keuken nooit zonder deksel gebeuren.

Ik kijk naar haar, ken haar moeder alleen van een foto, in zee, in diezelfde keuken. Ze is dood, maar zit natuurlijk in haar, daar, speels in de branding, in de keuken.

Ze bladert in een kookboekje.

Ik wil voor je koken, zegt ze.

En dan zie ik ze even samen, moeder en dochter, in de kantlijn, in potlood. Haar moeder becommentarieerde recepten zoals zij korte verhalen, po√ęzie en essays becommentarieert.

‘Is niet lekker,’ staat er.
‘Is minder lekker,’ staat er.
‘Staat 3 eetlepels, moet meer zijn.’

De Kuyper, Salinger, Mansfield, Szymborska: niet lekker, niet mooi, lekker, mooi. Ze bestudeert hun recepten, ze woont een tijdje in ze.