Hij kwam op een dag terug op werk en toen had zijn baas de boel stopgezet, dat wil zeggen, hij ging door, maar onder een andere naam, en de grondwerker kon ook door, maar alleen als zelfstandige, aan hem de keuze.
De beslissing was snel genomen.
Hij kan nu werken waar hij wil, in de buurt van Oostzaan, waar hij vandaan komt, hij hoeft niet eerst een uur te rijden naar waar groot werk is, Den Helder, Bloemendaal.
Het eerste wat hij deed als zelfstandige was de bouwvak negeren. In de bouwvak is er immers werk, dan gaat iedereen op vakantie. Hij gaat met kerst weg, naar Suriname, komt in februari terug.
Koud is niet erg.
Nat is erg.
Hij heeft een blonde jongen bij zich, zeventien jaar. Zwenkt en zwiept in het rond alsof hij niet op een kraantje maar op een mechanische rodeostier zit.
Hij rijdt schoksgewijs vooruit, de tuin in, alles op het rechte pad moet wijken: twee kleine fruitboompjes gekregen van goede vrienden, een vijvertje. Ze gaan de tuin openleggen en een kaarsrechte sleuf graven, een panamakanaaltje, daarin komt het nieuwe riool dat het oude vervangt.
Gelukkig woon je in een dijkhuis, zegt hij ‘dus dat duwt wel’. Het idee achter een riool is dat het dingen afvoert, naar beneden, weg van het huis, de pijp moet dus onder een hoek liggen, een kleine helling. Dat is bij een dijk nooit het probleem.
De gresbuis die eruit moet is zo stevig, die krijg je niet stuk, zegt hij, die had nog wel meegekund, en het spul dat er inkomt, grijs rioolbuis, stoot je met één onhandige kraanbeweging stuk.
‘Heb je dan wel eens dingen stuk gemaakt?’ vraag ik terwijl ik naar de stuntende jongen kijk, in zijn cockpit, raampje dicht, oortjes in.
‘Hij begint net, hij ziet nog niet dat zo’n klein tuintje het leukere werk is.’ Mijn dijkhuis is een stopklus, als het werk verderop tijdelijk stil ligt – ‘een opengebroken weg heeft prioriteit’ – komt hij even één achtertuintje doen. Dit verklaart waarom het hierachter al maanden open ligt.
‘Je kan doen wat je wil, in achtertuintjes, dat ziet ie niet.’

Sta je op een grondbank, met grote zandwagens, enorme bulk te scheppen, een kraan van 30.000 ton ipv 8.000 zoals deze, dan huurt zo’n bedrijf twee grondwerkers in, twee kranen, en die man zegt tegen je ‘drink rustig je koffie, ik zie jullie later’ en dan gaat hij zelf met een chronometer in een bouwkeet zitten. En jij denkt, ik doe mijn werk. En dan blijkt aan het einde van de dag dat ik een minuut doe over zand scheppen en de ander doet er 30 seconden over en dan hoef ik morgen niet meer terug te komen.
En het lijkt misschien leuk, op zo’n grote wagen rijden en grote graafwerken doen, maar het enige stuk weg dat je ziet op een dag is de kilometer naar de dichtstbijzijnde rivier, waar een boot met zand ligt, en je haalt het zand, en je rijdt terug. En dat veertig keer op een dag.
‘Maar hij denkt dat het machtig is, de grote hoeveelheden, de grote afgravingen.’ Hij weet niet dat je in een achtertuintje alle vrijheid hebt, koffie krijgt.
Terwijl de jongen zijn kraan rakelings langs het schuurtje rijdt en op het tegelpad loskomt van de grond, red ik 15 kikkertjes uit het platgereden vijvertje, ze springen vóór de rupsbanden uit.
‘Een man wilde een afschuining om zijn boot aan te leggen. Een vrouw stond er de hele dag bij om kikkers te redden,’ zegt hij. ‘Net als jij. Een paar maanden later moet ik alles weer in oude staat terugbrengen. De kikkers kwamen niet meer.’

‘Recht naar achter’ zegt hij tegen de jongen. ‘Denken voor je iets doet.’
‘Raam open. Ik kan niks tegen je zeggen. Ik kan je niks leren.’
Ze sluiten zich liefst op in een kraan, raampjes dicht, afgesloten van de wereld, radio open, zegt hij.
De jongen stuitert op de kraan, hangt schuin. ‘Zo vernielt hij de rupsbanden,’ zegt hij. ‘Ik moet hem voortdurend in toom houden.’
‘Gooi dat nou rechts waar de rest ligt,’ zegt hij.
De jongen gooit zand op een Japanse heester.
‘Let op, Japanse heester,’ zeg ik.
De jongen doet of ie me niet hoort, maar hoort me prima zodra ik vraag of hij koffie of thee wil of een eierkoek.
De sleuf is gegraven.
Na een pauze zijn ze terug in felle oranje neonkleurige jassen. Ze staan in hun loopgraven, tussen omgewoelde klei, ze moeten zichtbaar zijn als de rioolpijpen erin gaan.
Het riool ligt zo ongelooflijk ondiep dat ik het niet geloof.
Als ik als een croupier in een casino het graslaagje bij elkaar schraap zit ik al op de buis.
‘Moet ik nu voorzichtig zijn in de tuin?’ zeg ik.
‘Dat valt mee,’ zegt hij.
‘Wij weten wat mooi is,’ zegt de jongen, hij leunt uit het raampje. ‘En dan komt een bewoner naar buiten en die wil het altijd anders dan zoals wij het herstellen.’