Op mijn desktop prijkte ooit een foto van Google Street View.

Het was in die dagen zo dat je een grote foto op het scherm kon zetten, en dat ik dat ook deed, en dat ik die foto regelmatig wisselde en het bureaublad opruimde. Niet elke foto duldde evenveel mappen en bestanden. Het was belangrijk hoe het scherm eruitzag, wat er aan de muur hing, ik woonde in mijn computer, ik schoof dingen heen en weer, gooide dingen weg. Nu zou ik niet kunnen zeggen wat er op mijn bureaublad staat, of ik überhaupt de moeite heb genomen om het default-fabrieksscherm te vervangen. Ik start niet meer op, alles staat permanent open, het bureaublad is bedekt met gele memoblaadjes, een mogelijke foto bedolven onder tabbladen en vensters van programma’s en browsers, elk zicht geblokkeerd.

Maar de foto heb ik nog. Ik kopieer haar trouw naar elke nieuwe computer.

Een man staat bij een vangrail, op een snelweg, handen in de zakken. Hij staart voor zich uit, een vrachtwagen raast voorbij. Een eenzame figuur, op de rug gezien, berustend, al weet ik dat laatste niet zeker, het gezicht van de man is van de camera afgewend. De man bevindt zich op de Tomei Expressway in Japan – hemelsbreed zo’n 9.291 kilometer bij me vandaan. In praktijk ben ik in twee, drie muisklikken bij hem.

Elk moment kan hij over de vangrail stappen, dat is het geheim van de foto, alles kan gebeuren. Bij films en boeken werkt dat anders, daar heeft de maker gekozen.

Ik wil de man niet langer tegenhouden. De dood kun je overal bijhalen als je wil.