Ik woon alleen. De man ruikt mijn onrust en mijn angst en mijn onvermogen en mijn ongeduld en mijn irritatie en mijn opluchting en zijn macht. Ik moet op werk zijn, een afspraak maken gaat niet, het is nĂ¡ twaalf uur, of tussen acht en twaalf uur. Hij toont hoe de boiler werkt, hoe ik erop kan tikken en hoor waar de lucht zit, waar het water, hoe je water bijvult, eerst de lucht uit de slang laat lopen, het uiteinde van de slang tot een tuitje knijpen, een slang met samengeknepen strottehoofd. Een kink in de kabel. Hij leert me de knik die ik morgen vergeten ben. Ik zeg, nu hij er toch is, ik heb geen waterdruk in de douche. Hij schroeft de kop los, haalt alle ringetjes, dingetjes eruit. Je leert de mensen kennen, zegt hij, je komt bij iemand binnen en soms komt hij niet eens kijken en soms kom je een vrouw tegen, en als ik dan bij het weggaan zeg, tot volgend jaar maar weer, zegt ze, dat ga ik niet halen.

»